Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
273
huishouwen. Of ben jy nu beter dan Burgemeester T .. ,
zyn Dogter; die heeft daar wel een Godgansch behangzel
voor een bed geborduurd, allemaal uit de Schrift; en met
Engelen, dat het zo een lust is om te zien. En jy kunt
wel wat doen? Je hebt begut verstand of je een Dominees
dogter bent. Maar ja! zo menigen franschman!
Wy verstaan jen Brief niet. Nou, Oom is naar jen toe.
Ben jy ryker als wy, eet dan met twee lepels. En op
myn jongen moet je nou jen mond niet maaken. Hy kan
zyn Visch wel beter ten markt brengen. Jy zou een
liefelyke vrouw voor hem zyn! Laat hy een meid neemen,
die niets heeft, dan haar eertje en haar kleertje, daar zal
ik niet naar kyken; want gierig bennen wy niet. Ik moest
jen Moeder zyn, of ik je ereis handen uit de mou zou
doen steeken! De Dominéés hebben geen ongelyk, als zy
zeggen, dat ons land door de pragt en grootschheid
onzer Kooplui te gronde gaat, en dat onze lieven Heer
daarom den Engelsman toelaat, alle onze Schepen en
Colonien weg te neemen. Want wat was jen Vader toch
anders dan een Koopman? Ik heb hem wel gekend, en
jen Grootvader ook: Willem Leevend, of eigenlyk, Willem
Pieters. Hy ging er zo maar op zen oud Benist door, en
zei altyd, dat zyn Grootvader maar een Weevers knegt
geweest was, en daar sprak de man wel aan. Een siegt
mensch, die zich zyn Voorouwers schaamt. Zag hy nu
reis op! Wel kind, hy sloeg zyn handen in mekaar, om
zo eene beroerde kleindogter, en om al de fierlefieten, die
ze aan heeft. Jy lykt wat naar jen Grootmoeder! Die ging
met een kuifmusje, en een zyd japonnetje alle zondag ter
kerk; en op zyn breedst was het Juffrouw. En het waren
menschen van kappetaal. Nu weet gy. Juffertje, dat ik
geen wolle lap ben, al ben ik — uwe tante.
16