Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
der Toulitza, de eerste ia dat land, die met watermolens
gedreven wordt. Ik zelf ben in Moskou geboren; doch
heb mij reeds vroeg naar Duitschland begeven, om mij in
de wetenschappen te oefenen. — Maar ik weet het. Hoog-
geleerde Heer, uw oogenblikken zijn kostbaar, en het ia
niet over mij, maar over mijn kweekeling, dat ik u moet
onderhouden. De vurigste wensch van den Heer Gezant is,
dat zijn zoon bjj u in huis worde opgenomen: en alzoo
onder uw onmiddehjk opzicht sta. lu een zoo wetenschap-
pelijk gevormde familie als de uwe moet, als hij te recht
beseft, de atmosfeer zelfs ook bij den minst vatbare de zucht
tot studie opwekken en den geest met nuttige kundigheden
doortrekken. Het regelen der voorwaarden laat hij geheel
aan uwe bescheidenheid over; en, daar Zijn Excellentie
rijk en edelmoedig is, behoeft gij, Hooggeleerde Heer!
niet al te bescheiden te zijn.'
„Eilaas!" zeide Vossiup, „sedert den dood van mijn
Dionys en het vertrek van mijn armen Johannes is er
ruimte te veel in mjjn woning gekomen;.... doch deze
zaak gaat miju huisvrouw aan, of, laat ik zeggen, mijn
lieve Kornelia, die alle zorg aan mijn goede vrouw ont-
neemt. Maar .... gij zelf?"
„Ik zou mij niet durven vleien," hervatte Winius, „dat
de Heer Vossius ook mij een plaats in zjjn woonstede
aanbood: en ik zal zelf wel een verblijf hier of daar vin-
den. Alleen zal ik vergunning verzoeken, mijnen kwee-
keling ter zijde te blijven in zijne oefeningen, zoo des
verstands als des lichaams."
„Wij zullen zien," zeide Vossius: „waar hebt gij uw
intrek genomen?"
„In de Stads Herberg," antwoordde Winius.
„Uitmuntend! ik zal mijn vrouw en dochter raadplegen,
en u heden avond antwoord doen weten. Alzoo, tot weJer-
ziens; en spoedig hoop ik de gelegenheid gesteld te zijn,