Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
265
trouwen praaten, zyt gy nog zo afkeerig van het Huwlyk ?
Ik. Hoe afkeerig meent Mama?
Mama. Moet ik duidelyker spreeken? Zoudt gy künnen
besluiten, om de conversatie met een braaf man toetestaan,
als het zyn oogmerk zy te zien, of eene nadere verkee-
ring een goed huwlyk zoude belooven?
Ik. Wilde mama niet vraagen, of ik nog langer de
Coquette wil "speelen?
Mama. Net getroffen!
Ik. Moet ik beslissend antwoorden?
Mama. Ja; want daar naar moet ik te werk gaan: ik
zal niet toestaan, dat gy met een waardig man zult om-
springen, als met een paar douzyn malle Jongens. Wat
zegt gy?
Ik. Die vraag is moeilyk. Mag ik weeten, wie de ver-
liefde Gekskap zy, die aan my zin kan hebben, uit
meenens ?
Mama. Ik heb myn antwoord weg: neen, gy zult het
niet weeten. Ik zal hem bedanken: geen braaf man zal
gedupeerd worden.
Ik. Heden, Mama, wat zyt gy ook staatig! Wie zou
lust tot trouwen hebben, daar men zo veel kwaade Huw-
lyken ziet? en echter myn Heer, uw Man, maakt my
'thuis te benaauwd: evenwel, kwalyk getrouwd is, geloof
ik, nog wel ruim tien per Cent erger.
Mama. Dat is waar, maar ik zou u ongaarn getrouwd
zien met eenen man, die zich uwe manier van leeven liet
welgevallen, alleen om dat hy u niet wist te leiden.
Ik. Myne manier van leeven! wat misdoe ik dan?
Mama. Misdoen? dit woord heeft eene ruime beteeknis.
Gy leeft maar, als de meeste jonge Dames; gy schynt
ook maar niet te begrypen, dat eene Vrouw eigenlyk
voor het huisselyk leven geschikt is; dat men nooit te ryk,
of te aanzienlyk zyn kan, om nergens van nut te zyn.