Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
261
des te oud ben om te accompagneeren, sla ik de vingeren
aan 't clavier. Maar, Jongen, ik heb er iets op uitgedagt. Ik
stel myne vryage op heele laage nooten in. Gy en onze
meeste Vlasbaarden, ó dit heb ik dikwyls gemerkt, be-
ginnen uit zulke hooge grondtoonen, dat gy allen binnen
de eerste zes weeken buiten adem zyt. Daar zit myn
Heer de Capelmeester dan te heigen en te bremmen.
Daar zit Madame dan met een statig misnoegd gelaat, en
gelooft, dat zy schrikkelyk mishandeld wordt, om dat zy
niet meer met een: Engel, liefste schat, Godin enz. wordt
aangesproken; om dat zy nu dubbeld wel moet te vreden
zyn met een: Kind, Vrouwtje; en, als het eens in de vier
hoeken van het huis kermis is, Wyfjelief. Ik doe net
het tegendeel. Myn meisje is Juffrouw Leevend. Maakt
zy 't wèl, dan zal zy een beter man aan uw Vriend heb-
ben, dan zy durft gelooven. Dat zal magtig in de hand
vallen. Ik ben thans zo weinig inschikkelyk, dat lieden,
die ons niet kennen, er op zouden vloeken, dat wy ten
minsten een jaar of vier met elkander zyn opgescheept. Ik
koop haare genegenheid ook niet door kostbaare babioles, die
in zich zelf geene waarde hebben; en waar mede onze
Jonkertjes hunne adoraties de oogen verblinden. Ik zeg nu
altyd myne gedagten, (echter met bescheidenheid,) dit zal
ik langst uithouden. En ik merk niet, dat my dit zeer
ondraaglyk by haar maakt; zy moet des verstand hebben.
Zy weet reeds, dat ik nooit speel, zelden in de Comedie
ga, en maar tweemaal 's weeks op 't Concert ben. Zy
weet reeds, dat ik een vriend ben van het huisselijk
Amsteldamsch Koopmans leven. Myne kleding is haar veel
te eenvoudig; en hoewel myn eigen hair haar niet kwalyk
bevalt, heeft zy toch een schrikkelyke pik op myn hoed. Zy
heeft al eens ondernoomen, om er eenige potzige aanmer-
kingen over te maaken; hier uit zag ik, dat ik duizend
oogen zal moeten hebben, om wel toe te zien, dat zy