Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
258
Doctor Töller my eene infideliteit gedaan; en dat zonder
de minste reden. Hoe zal uwe Mama my nu uitlachen!
Lieve Heer! was het dan zo berispelyk, dat ik, in het
best van myn leven, geen stok-oud podagrist wilde heb-
ben, Nigt ? Wel, wat heeft hy immers een moeite om my
gedaan! Hoe zeide hy altyd, dat ik nog eene fraaije Dame
was, (zo als de waarheid is;) en van myne handen ook
nog! zo dat ik er zelf mee verleegen was; maar de
schoonheid excuseert veel, en hy was waarlyk op my
verzot. Neen, nu vertrouw ik die haatlyke mannen nooit
weer. 't Is haatlyk volk. Zy zouden ons zo niet na loopen.
Wat is het my naar, Daatje, nu gy hier niet zyt! Nigt,
wat ben ik met myn tyd verleegen! want men kan toch
ook niet altyd leezen; en met myne kamenier een voor-
middag-partytje te doen, dat gaat ook niet. Ik ga wel
eens voor tydkorting in de Kerk, maar het is altoos het
oude en 't zelfde. Daar is Amsteldam nu toch weer beter
van: men kan alle avonden of Concert of Comedie be-
zoeken, en altoos gezelschap krygen. Daar komt nu dat
geval met Doctor by. Heden, Nigt, ik heb hem zulk een •
kostlyken brillianten ring verëerd; hy had my een recept
gegeoven voor die vreeslyke uitslag in myn aangezicht. Ik
durfde zo een man geen geld presenteeren, Nigt. Maar
kind, ik hoor, dat hy zo een Vrygeest is, en tegen de
Kerk of den Godsdienst schryft, dat weet ik zo net niet,
en uw Vader plagt daar nog al onderscheid in te maaken;
maar dat was my te geleerd. Als dat waar is, mag ik
blyde zyn; want myn eigen dierbaar geloof is my vry
wat meer waardig dan zes Doctors Töller. En men weet
nooit, waar een slegt Man zyne Vrouw toe krygen kan.
Nu komt alles uit; ik hoor, dat hy zulk een raar portret
van eene Zuster heeft; en dat men hem in de wandeling
Hans Dondergoud noemt. Het kan wel gebeuren, dat ik,
om my te wreeken, nu den Heer Basta nog maar neem: