Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
eer hij sprak, in welke taal zij 't woord tot hem zouden
richten. De oudste der beide jongelingen liet hem niet lang
in de onzekerheid; doch, hem in 't Latjjn begroetende,
reikte hij hem den brief over van de Groot. Vossius
opende dien, doorliep hem vluchtig, en, zich toen tot den
spreker wendende:
„Ik onderstel," zeide hij, „dat deze knaap de zoon is
van den Heer Gezant."
Beide jongelingen bogen zich.
„De Heer de Groot" vervolgde Vossius; „schrijft mjj,
dat zijn vriend, de Heer Rey, Gezant van Z. M. van Polen
bij Hun Hoog Mögenden, den wensch koestert, dat zijn zoon
Alexis, gedurende zijn verblijf in Holland, zijn oefeningen
in de oude talen en geschiedenis onder mijne leiding voort-
zette. Het zal mij natuurlijk aangenaam en vereerend zijn,
hem onder mijn studenten te tellen; doch ik onderstel,
dat de Heer Gezant nog meer verlangt."
„De Heer Gezant," hernam de jongeling, „heeft voor
drie jaren mij de eer aangedaan, zijn zoon aan mijne leiding
toe te vertrouwen, en het is zijn wensch, die mij vereert,
dat ik nog voortdurend het toezicht over hem houden blijve.
Ik behoef u niet te zeggen. Hooggeleerde Heer! hoe zeer '
mij het denkbeeld streelt, op die wijze mede nut te kunnen
trekken van uw onderricht en onderwijzing "
„Indien gij, mijn Heer!" zeide Vossius, „in alles even
bedreven zijt als in het vloeiend Latijn spreken, dan gewis
kon die leiding, waar gij van spreekt, aan geene betere
handen zijn toevertrouwd. — Maar, verschoon mij, uw
eigen naam hebt gij mij nog niet medegedeeld."
„Mijn naam," was het antwoord, „is een van degene,
die, al noemt men ze, nog even onbekend blijven. Ik heet
Andreas Winius. Mijn vader is uit Holland afkomstig,
doch heeft zich voor dertig jaren in Rusland nedergezet,
waar hij een geschutgieterij heeft opgericht aan de boorden