Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
255
jy, Juffrouwtje lief, die zo veel schryft en vryft, ook wel
weer. Het is toch een kalf van een vent; en braaf en
en eerlyk, jen leeven niet beter; daarom wilde ik U Edele
nu eens over Nies, je Moeders Schoonmaakster, schry-
ven. — Is 't een knappe Vrouw, Tante ? want ik heb nog
al een hoope observatien en fikkefakkeryen; anders doe ik
't liever zelf, al zou ik er by kruipen. Ja van observatien
gesproken, gisteren moest je hier geweest zyn, je zoudt
je slap gelachen hebben. Je moet weeten, ik stond Papjes
kooi schoon te maaken; dat doen de meiden niet naar
myn zin. Nou altyd, ik stond dan de kooi schoon te maa-
ken; Buurvrouw van daar over kwam in. Wel, Vrouw
Martha, (mogt zy zo zeggen,) alweer aan 't werk? —Ja,
(zei ik zo,) myn naam is Martha; en niet te vergeefsch.
Daar zette Buurvrouw een keel open met lachen, dat onze
Freryk omtrent met zyn dik korpianus van zyn stoel viel.
Ja, hy is altyd goed lachs geweest; ik weet niet na wie
de jongen aart, hy ziet altyd even bedest; ik geloof, dat
hy niet vry is, tegen jou gezeid, van wurmen. Nou, de
myne was altyd een goed Matroos; en ik dagt: kom an,
in Gods naam, laat ik hem maar neemen, maar ik heb er
een best man aan gehad. Nooit hebben wy een woord dan
over myn schoonmaaken en over den jongen. Hy zou myn
heele huis wel gebruiken; en ik hou van schoonmaaken
en schoon houden, zo als U Edele wel kunt denken; en
de jongen is niet sterk. Freryk is een yzervarken van een
mensch, (dat ik nog zo een zondig woord spreek,) en hy
wou met geweld den jongen op een Schip doen. De School-
meester van Kipdorp komt hier wel zo eens, en dat heb
ik graag, om een praatje, om dat Lorre er zo na kan
zitten luisteren, of hy 't alle maal verstond, en die zeit,
dat de menschen nu zo goed niet meer uitvallen, noch
zo kras zyn als in ouwe tyen; 't is een zoet praatertje,
het weet veel, eu den mynen gelooft, dat er zo iets