Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
254
tante martha de harde aan alida leevend.
Eerwaarde Jonge Juffrouw, Lieve Nigt!
Schoon myn man maar een Zee-Kapitein is, en alles
met de Vaart gewonnen heeft, gelyk het spreekwoord
luid; en dat ik juist nooit veel by Heeren en Damens op
Salet zit te praaten; zo weet ik. God dank, nog myn
"Waereld wel, en om lui van staat het hunne te geeven;
waarom ik nu ook voornam, U Edele ereis met myn be-
zoek te verëeren, en te bedanken voor uw bezoek, toen
ü Edele de eere had om ons plaatsje te zien. Maar, Tante
lief, wat is dat alle daag een weer! Myn man zaliger
zeit: kind, hlyf toch in jen Combuis; er komt hond noch
kat op het dek, het waait uit al de strecken van 'tCompas;
en jen Broêr woont wel dertig graaden uit de koers; zie
je wel. Moeder, dat de wind weer N. O. ten Noorden waait?
en dan zit je morgen weer te schreeuiven en aan te gaan
van de jicht in jen beenen. Ja, 't is een regte grappen-
maaker, die eigenste Preryk. — Wel, (zei ik toen), dan
zal ik eens een klein kattebelletje aan Nigt schryven. — Nou
(zei hy toen,) dat kun je doen, zo als je wilt. Al zeg ik
het zelf, ik ben nog al vlug ter been, ter pen meen ik;
ei ik verspreek my. Het komt my ook schoon te pas in
myn zwaare huishouding: want onze Ereryk doet niet zo
veel, dat hy eens een onnooslen waschbrief schryft, al
zit ik tot de ooren in het Linnen te grobbelen. 't Komt
evel alles op my aan. Ik heb, (zeit hy,) te lang voor Bot-
telier gevaaren, om my nu nog met die keuken duivelerage
kraam te moeijen. En, Tante lief, hy is idanig op zyn
mond gesteld. Er moet niet, zie zo veel, aan de spyze
haperen, of de Beer is los; zo als Jan Luiken zeit. Wat
zal men doen? men kan zyn man wel minnen, maar niet
bezinnen. — En elk heeft zyn feilen en boenders; gelyk