Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
252
niy vereerd. De Spaansche Matten kon men niet, dan met
gevaar van hals en beenen te breeken, overgaan. Geheele
Piramides van Porcelein, de pragtigste Oostindische Meu-
belen: enfin, ik stond verbaast.
Toen wy zouden thee drinken, kwam Oom op de prop-
pen, in een korten kabaai, met zyn koussebanden onder
de knien, ook op sloffen, den trap af. Welkom, Nigt ;
kom, jy bent een meid van je ivoord, en daar hou ik van.
Myn Wyf meent het ivel, maar zij iveet zo niet veel van
de waereld, en ik kan haar maar met geen stokken de
deur uit krygen; dat veegt, dat raagt, dat vry ft, dat duivelt
me zo den godgantschen dag. Ik zeg dikwyls, ik wou dat
ik weer een goed Schip onder my had, zo maalt zy my
met het schoonmaken aan men kop. Vrouw liet dit niet
onder zich. Ja, Juffrouw, Nigt meen ik, je weet, hoe de
Manlui zyn. Al lag het hier als op de Noordermarkt, zy
zouden het niet laaten schoonmaaken ; al hingen de spinragen
in jen mond; maar weetje wat het mooist is? Ik laat onze
Freryk ivat aanschreeuwen, en doe wel netjes myn zin.
Hoor, de Vroutv is baas van 't huis; wat weeten de Man-
lui van schoonmaaken? — Net zo. Tante; maar Oom zal
het ook maar uit de grap zeggen. — Dat kunje eens den-
ken of ik er mee grap. Kom aan, daar is nu de Jongen,
ik en myn Wyf, wy moeten, jandori! in een gat van een
half keuken, half kamer huishouden. Wy slaapen op één
kamer, en de Meiden moeten alle avond naar een soort
van een kippenhok, langs een Satan van een hoogen leer
te kooi kruipen. Nu is de Jongen er ook uit: jy kunt
denken, hoe morzig dat het hier worden kan, en nu heeft
zy al weer zes weeken bezig geweest, met nog zo een paar
opvreeters van de scheepskost, en als wy er te Mei afzyn,
zal 't meeloopen! Ik zeg wel eens: wat zal myn Wyf toch
in den Hemel doen, als daar ook niet wat te ragen of te
schommelen valt? Nu, 't zal nog by 't walletje langs