Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
251
■wyze opname. Verbeeld u een oud zwaar gebouw, mooglyk
van de zestiende eeuw, twee uitspringende halfronde torens,
en daar in, (even als aan den Schreier shoeks-toren,) propere
Engelsche schuifraamen, met witte uitgeschulpte neteldoek-
sche gordynen. Het hek, de deur, de horretjes, de lysten,
de leuningen, allen oranje kleur. Verbeeld u een klein
hassecourtje, en daar op een vergulden Neptunus, lui en
leeg leunen op zynen drietand, in gezelschap eener groote
zwaargebeelde insgelyks vergulde Najade, aan den rand
van een Vischkommetje, weinig grooter dan onze Saxisch
Porceleinen Visch-schotel. Op het voornoemde Bassecourtje
staan een paar douzyn dikke vette Cupidoos en eene Venus,
die er vry mal uitziet. Aangescheld hebbende, wierd ik
onthaald op een vol concert van Honden-muziek: uit alle
laantjes vlogen zy als dol naar het hek; het was echter
niet kwalyk gemeend. Ja zo waar! daar kwam Moeder,
onder het gerinkel van een grooten bos sleutels, en met
een lelyken dikkop van een Keeshond in haar arm, aan-
waggelen. De Vrouw had een flodderhoed op, en veel van
eene Zielverkoopster in den uitwendigen mensch; immers
van een Oostindiesch Bootsmans Vrouw.
Tot verleegenheid toe verëerd met myn bezoek ! (ó
dagt ik, die Vrouw is zo kwaad niet; zy begrypt het
wel.) Ik ging naar haar toe met een: Tante, uw dienares;
Oom heeft my zo vriendelyk verzogt, dat ik niet kon af-
zyn u eens te bezoeken. Mevrouw, Juffrouw! — De goede
Vrouw was zo aangedaan, door zich Tante te hooren
noemen van eene zo zwierige Dame, dat zy niet wist,
hoe het te maaken. Haar geheel gelaat was in oproer
enz. Wy gingen in huis. Ik heb nooit denkbeeld gehad
van zulk eene overdreevene kraakzindelykheid. Ik trok des
myne schoenen uit; doch dat verstond zy niet; hoe wel
zy haar sloffen uitdeed, en myn geleider op zyn koussen
volgde. Zy liet my haar geheel huis zien, zo was zy met