Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
246
lyk lief en beminlyk te zyn; zo zelf, dat men niet eens
aanmerkt, dat gy niet mooi zyt. Maar gy zyt eigenwys,
verwaand, kribbig, vol grillen; en gy gelooft, dat elk, die
de eere heeft om met u omtegaan, verpligt is zich dit
alles te laaten welgevallen. Ik denk echter, dat alle deeze
gebreken niet zo zeer in uw hart als wel in uw humeur
zitten. Uwe Mama bemint Willem zeker met eenzydigheid ;
doch hangt het ook van u niet af, om haare beminde
Dogter te worden?
Het kan zeer wel zyn, dat myne veranderde levenswys,
en myne onvermoeide oppassing van een oud zieklyk man,
voor my den geest des overdenkens medebrengt. Dit is
ten minsten waar: Ik plagt niets te denken by, of over
het geen 't welk ik zo al mêe deed. Ik had my, immers
zo spreekt men, van niets te beschuldigen; ik leefde zo
maar den eenen dag aan den anderen vast, zonder my
ergens op te bepaalen. Memand had ooit tegen my ge-
zegd: dit is een zeer goed hoek; lees, Pietje, En Pietje
kreeg nooit den inval, dat zy zeer goede oogen had, en
dat er ook voor haar wel Boeken zouden te krygen zyn.
Oom heeft eene goede verzameling. Het Pransch, dit merk
ik, gaat wel genoeg, maar het Nederduitsch bedroefd. Ik
zal er echter myn werk van maaken. Het zal mooglyk
nog niet te laat zyn; en wat heb ik thans veel meer te
doen, dan met leezen mynen tyd te korten?
Er is nog eene dryfveer, die my doet werken. Uwe
Moeder houdt niet van my, dat spyt my. Zy gelooft
zeker, dat ik met haare Dogter te wel overëenstem; hoe
kan zy anders dan onze verkeering afkeuren ? hoe denken,
dat myne vriendschap u eenig nut kan aanbrengen? Dit
denkbeeld bedroeft, en verontwaardigt my. Ik wil my
haare achting waardig maaken, al wist ik, dat zy my
nooit na genoeg zal leeren kennen, om my recht te kun-
nen doen. Hier toe kunt gy veel doen. Uw eigen pligt-