Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
236
Ihj. Ja, zie, Mejuffrouw, [m hy lachte vinnig,] ik weet
die dingen zo niet: ei! is dat geen fatsoen voor een Koop-
mans Dogter? ik weet dat zo niet, zeg ik.
Ik. Ik ontsla u om dit te weeten, als gy u maar nooit
met myne zaaken bemoeit; neen, dat is geen fatsoen. [Ik
weet ivel beter, Pietje, maar ik wilde hem plaagen, en dat
gevraag voor altoos afleeren.]
Ily schonk een glas bier in, antwoordde niets; zo boos
was hy zeker. Mama wenkte, dat ik het verbeteren zoude.
Ik was toen sterk byziende. Zy nam zyn hand; en toen
haare oogen de zynen ontmoetten, zag ik dat zyn toorn
bedaarde. 'tIs waar. gy hebt gelyk: Mama heeft overree-
dende oogen. Zy behoeft maar weinig te zeggen. Ik wilde
nu maar naar haare oogen niet luisteren, 't Gesprek wierd
huisselyk tusschen hun beiden. Hy vroeg naar Willem;
dit verdubbelde myn aandagt. Wim is niet kwaad, van
Oldenburg; (zeide zy,) zyne gebreken zyn niet inhethaat-
lyke. Dit verstond hy niet eens. De goede Vrouw denkt
honderdmaal, dat zy tegen myn verstandigen Vader spreekt,
cn lieven lieer! het is maar tegen van Oldenburg! Lief
heeft hy haar; maar ik zou liever van hem gehaat dan
bemind zyn. Opstaande gaf ik haar een kusch, en ging
naar bed. Goeden nagt, Dogter. Zy hield zyn hand nog
al; zeker om my te toonen, dat zy myn gedrag af keurde.
Dit gaat zo alle daag, zonder veel variatien, over B. duur.
Den eersten morgen stond ik niet vroeg op; wat heb ik
voor dag en daauw op te doen? ik ben immers niet ver-
oordeeld, om by hem op het kantoor te schryven ? Tegen
elf uuren zat ik te ontbytcn met Fidél in myn schoot, en
las een Nieuwspapier. Jacob kwam binnen: Juffrouw, daar
is Beläir. — Laat hem wagten, tot ik ontbeeten heb. De
man des huizes was in de Eetkamer. Hy zag my, sprak
niet; ik ook niet. Jacob kwam weer binnen: Juffrouw,
daar is Marton met de gaazen. — Laat Marton wagten. —