Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
235
te schryven; is kostelyk Haarlemmerdyks gekleed. Ik
moet dien Boel buiten eens opneemen, dunkt my; wilt
gy mee, Piet?
Met van Oldenburg ben ik in deeze drie dagen nog
maar eens in verschil geweest; maar myn eens zegt hier
altoos. Ik was met den avond t'huis. Mama was alleen
in de eetkamer. Toen de tafel gedekt was, kwam hy van
't kantoor, met den jongen, daar ik van sprak. Mompelend
gaf ik hem een goeden avond. — Zo, Juffrouw, was je
daar ? en ik geloof, dat hy my een kusch wou geeven.
Ik ben niet zeer familiair met lieden, die ik zo weinig
ken, weet gy. Ik ontweek die bui. Mama scheen daar
moeilyk over; hy zweeg echter, zy ook. Knorrig, om dat
ik nu niet op eene Party, daar ik gaarn by geweest was,
zyn konde, en Willem niet hebbende om te plaagen, want
den Kantoor-jongen reken ik niet genoeg om hem te bruijen,
moest ik myne geemlykheid wat lugt geeven. De man
des huizes was des de wryfpaal; want tegen Mama heb
ik niets, dan dat zy te gek met Willem is, en my niets
rekent. Ily vroeg my iets: in plaats van te antwoorden
zei ik tegen Jacob: „zyn die boodschappen bezorgt voor
morgen?" Ily sprak weer.
Ik. Jacob, haal myn snuifdoos uit de zydkamer.
Moeder. Hoort gy niet Daatje, dat uw Vader u vraagt,
of gy met de Schuit dan met den Postwagen gekomen zijt?
Hy. De Juffrouw schynt wat doof geworden op haar reisje.
Ik. Zo dat waar was, thans zou het my goed komen;
ik zou veele gekke vraagen niet behoeven te antwoorden.
Moeder. Is dit nu een antwoord. Kind?
Ik. Wél, hoe zou 't my in 't hoofd komen. Mama, met
een Postwagen, of Schuit te reizen ? Is dat fatsoen ? Neen:
als myn Heer het dan noodzaaklyk moet weeten, ik beu
met rytuig gekomen, en wel met een koets, om dat ik
alleen was.