Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
234
ben; anders zoudt gy niet in uw hoofd gekreegen hebben,
om my zo een innig briefje te schryven. Om evenwel met
de heele stoffelyke waereld niet overhoop te raken, ver-
geef ik het u deeze keer; en trouwens, ik hou nog al
veel van u, meer dan van iemand, buiten my zelf te re-
kenen; nu, dat kun je wel denken! Wat Hein Veldenaar
betreft, ó dat is meer om eens figuur te maaken, en op de
praat met hem te zyn, dan om eene affaire du Coeur, zo
als gy, weekbakken zottinnetjes, dat noemt. Trek daar des
met opzicht tot Coosje geen gevolgen uit. Wie denkt er
aan trouwen, als de smaak zo vlugtig is gelyk de myne?
Dat daar gelaaten. Mama ontfing my vriendlyker dan ik
gewagt had: de Vrouw zal zeker zien, dat zy verkeerd
gedaan heeft; ik hield my ook wel. Wim is nog te Rot-
terdam, en wel dra gaat hy naar Leiden; dat zal rusten!
Maar nu is hier weer een andre druiloor op 't kantoor!
Het is een Neef van Mama's Man. Ik versta my zo niet
op die Burgerlyke Geslagt-Lysten, maar ik meen, dat zyne
Moeder eene halve Zuster is van van Oldenburg. Zyn
Vader is die groote vierkante Zeekaptein, dien gy hier
eens gezien hebt. Hy leest niets dan de Texelsche lyst
en de Couranten, en is zo verbrand als myn hondsleeren
handschoen. Hy vloekt zo als hy, geloof ik, bidt, zonder
er iets by te denken. Een regte goeije Hollehol! Zyn
Vrouw ken ik nog niet; zy woonen ergens buiten de Leid-
sche poort, meen ik, en zyn heel ryk. Die jongen moet
ik u eens afbeelden, (of gy ook zin in hem hadt, want
Willem zult gy nu niet krygen!) Hy is lang uitgegroeid,
broodmager, viezerig bleek, vol pokdalen; met een korten
stompen neus, zonder oogen, zou ik haast zeggen, indien
zyn gluipen my niet hinderde. Of hy dit uit de stuipen
heeft gehouden, dan of het de teekens zyn van een siegt
hart, weet ik nog niet. Hy spreekt weinig, is voor Oom
slaafsch gedienstig, staat den geheelen dag als een paal