Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
228
verbergt. Daaglyks invallende verdrietlykheden doen ook
weinig aan: Hevige rampen prikkelen onze aandoenlyk-
heid zo sterk, dat men geen tyd hebbe om te redeneeren;
dan lydt men, om dat men zelf voelt. Is er ook niet wat
veel spotterny in uwen bitteren Brief? Gelooven wy wel,
dat iemand, die nog spotten kan, waarhjk bedroefd is?
Neemen wy des wel belang in hem? Kan een man, als
uw Stiefvader is, dulden, dat gy hem trotsch behandelt?
dat gy u met de verschillen tusschen hem en zyne Vrouw
op een beslissende wys bemoeit? Moet het uwe Moeder
niet treffen, dat de man haarer verkiezing dus smaadelyk
behandeld wordt? Bezwaart gy haar lot niet? Gy hebt,
dat beken ik, uw geüartheid tegen; maar pligt blyft pligt,
hoe moeilyk die ons ook gemaakt worde! Zie, myn lieve
jongen, dit moest ik zo eens met u verhandelen.
Gy gaat dan uwe geliefde neigingen involgen! Geluk ^
daar mede. Ik zal u, geduurende uw Studenten tyd, min-
der zien dan anders; dit is my ongevallig. Ik bemin u: uw
gezelschap is zo aangenaam- Ik verschil nog veel meer
met u in karakter dan in jaaren. Gy moet my myne op
mij zelfsheid (noemt gy het zo niet?) nog veel arteeren.
gaarn had ik wat meer van die fatsoenlyke losheid, die
welleevende vrymoedigheid, die bevallige houding, die
fraaije manieron, die myn Willem zo voordeelig onder-
scheiden ! Gy weet, dat ik niet vleijen kan; ik beken des,
dat gy gebreken hebt; meer en grooter gebreken dan ik;
immers die meer in 't oog vallen. Over die zal ik een
waakzaam oog houden; gy moet nog veel beter worden
dan gy zyt; en men wagt van u ook veel meer, dan van
my of andren, die zulke schitterende begaaftheden niet
ontfingen.
Ik zal u tot Leiden tegenkomen: meld my den dag, dat
gy afrydt; gy komt immers ook te paerd? Dan kunnen
wy uw Logement eens gaan bezien, en met een hoe de