Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
Ay, staeck dees ydle tranen wat,
En offer, welgetroost en blij,
Den allerbesten Vader vrij
Het puyck van uwen aerdschen schat.
Men klaeght indien de kiele strand,
Maer niet wanneerse, rijck gelaen,
Uyt den verbolgen Oceaan,
In een behoude haven land.
Men klaeght, indien de balsem stort,
. Om 't spillen van den dieren reuck:
Maer niet, soo 'tglas bekomt een breuck,
Als 'tedel nat geborgen word.
Hy schut vergeefs sich selven moê.
Wie schutten wil den stereken vliet,
Die van een steyle rotse schiet.
Na haren ruymen boesem toe.
Soo draeyt de wereldkloot; het sy
De vader 'tliefste kind beweent:
Of 'tkind op vaders lichaem steent:
De dood slaet huys nocht deur voorby.
De dood die spaert noch soete jeughd,
Nocht gemelijcken ouderdom,
Sy maeckt den mond des reedners stom;
En siet geleerdheyd aen noch deughd.
Geluckigh is een vast gemoed,
Dat in geen blijde weelde smilt
En stuyt, gelijck een taeye schild,
Den onvermybren tegenspoed.