Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
224
kraai in de waereld; is een geschikt bejaard vryer. Ik
moet zeggen zo als het is.
Hoe zal dit onze Daatje toch monden? Hoe zal Wim
dat aanstaan? Hj^ geeft zich vry wat airs, en is zo mal
met zyne Moeder; nu, zy blyft hem niets schuldig, 'tis
of zy alleen voor Zoontje leeft. Ik ging met dit nieuwtje,
zo dryvend, naar Dominees studeerkamer: want ik maak
geen moordkuil van myn hart: „Hoe komtje dat voor?
zei ik. „Heel wel, kind, zei hy; Mevrouw Leevend is een
verstandige Vrouw, en van Oldenburg een geschikt Man."
Eu, ik zeg verstandig tegen haar! Is dit Huwlijk echter
het grootste bewys van haar verstand, dan durf ik ook
nog met myne klompen op 't ys koomen; dan kan ik ook
vloot houden. Ei, kom, het lykt immers nergens naar!
Ik hou niet extra veel van Mevrouw Leevend; my is zy
te precis. Maar toch zo een misselyk figuur moest zy niet
neemen. 't Is een braave vrouw; en zo zy wat minder
geheel anders was al ik ben, ik zou haar heel liefhebben,
en haar dit Huwlyk sterk afraaden.
Hoor, myn Man is wél genoeg; stuit het eens, ik denk :
„de Preek zal hem wat hart in zyn maag leggen," Ik
verbrui het ook wel eens; zie, zo ben ik; geene vygen-
bladen. Ja, wat wilde ik evel zeggen? Dit geloof ik. Als
Dominé stierf, en hy is zo weinig Jan Leevend, als ik
zyne Weduw, ik zou myn Heer üerrit van Oldenburg wel
zeer vriendlyk bedanken; en echter een ryk man zou my,
met myne zes stoute drukke kinderen, nog al niet te onpas
komen: want de Dominéés mogen zich, myn lieve mensch,
zalig preêken, maar ryk dat zit er niet op. Uw Broer
was een man om op te verlieven; dat is maar uit. Er is
veel aan hem verlooren.
Nu, het is voor my en myn slag heel troostlyk, dat
zulke verstandige Vrouwen ook eens iets geks doen. Was
zy maar zo zagtaartig, zo wéék niet! kon zy, als hy hoe