Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
221
stukken der oude nog onbeschaafde Volken, die hun sterk
zinnelijk aan deeze wijze van dichten verpligt waren, en
juist daarom zulke juiste, zulke bij uitstek schilderach-
tige woorden (*), die bijna altijd de zaaken zelve daar-
stellen en de klanken nabootsen, gebruiken. Deeze Wijs-
begeerte alleen is voor den Dichter de waare; zij doet
hem dienst, zonder zijn genie te verdooven.
Thans zal ik u niet langer ophouden. Ik denk, dat gjj
mijne gedachten zult gevat hebben, en ze in het rechte
licht zult plaatsen. Zij komen in één woord hier op neêr.
Men kan een' Dichter niet te veel aanraaden om kundig-
heden te verzamelen; zij alleen kunnen in onze eeuw die
menigvuldige ledige plekken aanvullen, waarin ons do
Natuur zelve onbekend is, en, onze zeden en levenswijze
in aanmerking genomen, onbekend moet zijn; maar zij
maaken den Dichter niet, zij vervullen slechts een gebrek
in hem. Integendeel, al wat hem meer aan de weelde en
haare verfijningen in de kunsten en wetenschappen ont-
rukt en aan de Natuur te rug geeft — al wat hem vatbaarer
voor haaren eenvouwigen indruk, en voor de oorspronglijke
aandoeningen, die ze verwekt, maakt, maakt hem meer tot
Dichter, en wint hem naar de eigen maate meer eene lengte
van verkreegen kundigheden uit. In het laatste geval zal
(*) Onze beschaafdheid, en de menigvuldige verfijningen, die de
verkeering in de taal en spreekwijze noodzaaklijk gemaakt heeft,
vloeit ook hier zeer nadeelig op de Poëzij in. Wij hebben dien
rijkdom van woorden niet, om alles, wat de Natuur betreft, uit te
drukken, die de oude Volkeren bezeten hebben, maar wij zijn van
een des te grooter overvloed van woorden en spreekwijzen voor-
zien, die de verkeering, de bezigheden en betrekkingen des bur-
gerlijken levens betreffen. Zie Fragm. iiher die Deutsch, neue
Litt. I. und II. Saml. VII. Fragm. aangeh. bij Sander in zijne
Inleid, ooor hef Boek van Joh.