Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
220
missen, dan telkens zo zeer op den moeilijken en pijn-
lijken arbeid des Dichters te stooten, die'er in ieder woord,
en in elke koppeling van woorden uit door zou straalen (*).
Om over de Dichtkunst tot in de minste bjjzonderheden
goed te kunnen schrijven, moet men zelf Dichter zijn. Er
zijn zekere verborgenheden in alle kunsten, die niemand
kent, dan die ze werkelijk beoeflfent. Eene waare, voor den
Dichter geschikte. Wijsbegeerte leert, dat wij altijd ge-
makkelijk de woorden vinden, wanneer wij vuurig gevoelen,
en het voorwerp zelf daar zo geheel levendig voor onze
verbeelding hebben staan, 't Is waar, wij vinden in die
oogenblikken menig werf de rijkste taal arm, maar wij
weten ze te verrijken (f), en 't is door de werken van
goede Dichters dat elke taal zijn' rijkdom en bevallig-
heid wezenljjk verworven heeft. Het Hoogduitsch voor
GELLERT, en KLOPSTOCK en WIELAND, kan dit tastbaar
staaven. Men kan hierom ook bijna altijd uit den meerderen
of minderen rijkdom van eene taal tot het aantal en de
waarde van Dichters onder eene Natie besluiten.
Eene gezonde Wijsbegeerte spoort dus den Dichter aan
om do Natuur zelve veel te bestudeeren, zijne gewaar-
wordingen 'er onder na te gaan, en nimmer de Dichtpen
in handen te nemen voor dat hij door een zacht geweld
hier toe als gedrongen wordt. Zij wijst hem op deDicht-
(*) Dus denkt 'er de kundige Sehlegel in* zijne tiende Verhand.
Von der Harmonie des Verses, te vinden in het II. Deel van zijn'
vertaalden BaUeu-r, over: « Wenn der Dichter in dem Klange seiner
Verse den natürlichen Schall eines Gewitters trifft (zegt hij daar
onder anderen) sn rühret das von der Hitze her, ruit der er arbeitet,
von der Lehhaftigkeit, mit der er sich seine Bilder vorstellet; kurz es
ist ein Werk seiner Begeisterung, dessen er sich selbst nicht beicusst ist.-'
(t) Men behoeft Winkelman maar over eenen Apollo of Laocoön
te hooren spreken, om overtuigd te zijn welk eene taal het levendig
gevoel van het Schoone weet te scheppen.