Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
218
de hand geeft. Wij moeten hier niet met het woord wijs-
begeerte spelen. Verstaat de Schryver door dit gezegde,
dat de Dichter in het oogenblik der bearbeiding over de
woorden nadenkt, en zo lang zoekt, tot dat hij het waare
en eigen woord heeft, dan is dit gezegde volkomen valsch.
Het kan dan omtrent den Versenmaaker waar zijn, maar
omtrent den Dichter is het onwaar. Ik beroep mij op elk,
die immer met enthusiasme, dat is met de levendigste en
vuurigste doordrongenheid van het onderwerp, dat hij be-
Dichter, De meeste menschen, die een gedicht in handen nemen om
'er door vermaakt te worden, vinden gewoonlijk op die plaatsen het
minst aan hun oogmerk voldaan, waar de meeste natuurkunde van
deze soort in doorstraalt. Men bewondert den Dichter, maar men
springt zyne geleerde verzen over.
Ik geloof voor 't overige met den schryver, dat men niet dan
te dikwerf het hruischend, of schuimbekkend of trappelend paard,
in navolging van een ander Poëet in zyne verzen te baat neemt, en
dat dit dan niet zelden al het schoon is, dat het paard ons daar
opdischt: maar met dat alles mist het ons toch niet geheel aan
waare, schoone, beschry vingen van het paard, die naast die van de
beste Dichters geplaatst mogen worden. Ik wil hier alleen de
volgende opgeven:
Gelijk, op 't schor geluid van Mavors wapenkreet,
Een jonge Hengst zyn' moed ten oorlog' voelt ontbranden;
Met opgeheeven' hals de forse borst verbreedt;
Het schuimende gebit doet knarsen op zijn tanden;
De lange maanen schudt; en snuivende in het rond.
En rook en vlammen blaast; en op zijn sterke lenden,
(Daar hy zijn' staalen hoef slaat in den weeken grond)
Zijn' Ruiter vrolyk voert in 't dichtst van's vijands benden: enz.
Taal- en Dichtk. Oeff. van het Genootsch, K. W. D. A. V., te
Leyden, II. Deel, 1ste Prijsv.