Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
215
levendige daarstelling van de natuur naaralijk, overeen.
De plaats uit den Fingal van ossiax, door sanders naast
die van job over het eigen onderwerp gesteld, bevestigt
dit. Men hoort 'er den eigen waaren Dichter in. Dus schil-
dert ossian in dezelve een Paard uit Fingals stal: „Een
der dapperste Rossen verschijnt, brieschend en stout met
hoogopgezette maanen en breede borst, van den heuvel ter
rechter zijde van den verschriklijken wagen. Zijn stampende
boef klinkt. Gelijk de damp over de vlakte, golven zijne
maanen (*).
(*) De Schrijver plaatst de Schildery van het paard by Virgilius
Georg. 3, v. 80, et seqq. tegen die, welke wij zo even bij Job
gezien hebben, en noemt den Latijnschen Dichter bij uitnemend-
heid den natuxirkennenden. Ik laat het gaarn onbeslist, welke
beschryving van 't Paard dichterlijker is, daar ze beiden in mijn
oog veel verdiensten bezitten; maar ik kan niet nalaaten hier de
volgende aanmerking van Herder bij te voegen, die ons leeren
zal zeer voorzichtig te zijn, wanneer wij immer beslissende verge-
lijkingen tusschen Dichters willen maaken, die niet alleen tot ver-
schillende Volkeren behooren, en onder verschillende luchtstreeken
leefden, maar nog boven dien door eeuwen van eikanderen verwy-
derd ziin. «Wil men (zegt hy in de eerste Verh. van het derde
Stuk van zijn vöortrefFelijk Werk: de Geest der Uehreeuwsche Poëzij
genaamd) het beeld van het Paard bij Hiob vergelijken met de
beschrijving, welke Virgilius daarvan geeft, zonder op te merken
wie bi) Hiob spreeke ? en waar toe hy spreeke ? wat in den tijd van
Virgilius te Rome, en wat in den tyd van Hiob in Idumea, een
paard ware ? waar toe het daar, en waartoe het hier, verschyne ?
wil men, zeg ik, die vergelyking maaken zonder dit alles in aan-
merking te nemen, zo begrijpt elk terstond, dat men niet dan
eene armhartige vergelyking maken zal.» — Hoe treffend waar is
dit gezegde! Het Paard van Virgilius is altijd meer naar ons
berekend ; dewyl dit dier in zijn' tyd te Rome, als heden nog
bij ons, bekend was, wy dus in zijne beschrijving ons paard vin-