Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
214
en de schoone en waare, schoon eenigzins reusachtige,
beschrijving van job was vernietigd. Zie hier de betere
vertaling van sander:
„Hebt gij het Paard den edelen moed gegeeven? dat men
zijn toorn ziet in zijne maanen? Leert gij hem opspringen
gelijk een springhaan? Zijn prachtig gesnuif is verschrik-
lijk, het stampt op den grond, is stout op zijne kracht,
en vliegt den strijd te gemoete. Het spot met de schrik-
lijke wapenen en verschrikt niet, voor den blooten degen
keert het niet te rug. Boven hem rammelen de pijlen in
den koker, de blinkende spies, en de volle wapenrusting;
onder hem dreunt de aarde, en naauwelijks raakt hij in den
aanval den beevenden grond. Het is hem niet als of hij
de krijgstrompet hoorde. Eu wanneer de trompet sterker
klinkt, roept het vergenoegen; van verre snuift het den
slag te gemoete, het geschreeuw des veldheers, en het
gewoel des krijgs."
Alle Dichters, die uit hun gevoel schrijven, komen, bij
de mooglijkste verscheidenheid, altijd in het groote, de
aan de Vertaalers van Job ook leenen wil, zij wiaten tocb altijd
zeker dat het paard maanen aan den hals droeg, en dus kon hunne
ongelukkige vertaaling hier nimmer aan onkunde toegeschreven wor-
den, even weinig als de menigvuldige Predikanten, die sederd de
voortreffelijkheid van dit beeld in hunne Leerredenen hebben poogen
aantetoonen, van deeze Natuurkunde beroofd waren. Niemand is
voor soortgelijke feilen gedekt, dan hij, die aan de borsten der
Natuur zelve gezogen, en van haar geleerd heeft, eenvouwigheid,
zelfs in de prachtigste en stoutste tooneelen, te gevoelen en te be-
minnen. Waarom is de Schrijver niet bij zijne eerste aanmerking
op deeze zelfde bladzijde gebleven? Zij lost alle soortgelijks slaafsche
en verkeerde navolgingen genoegzaam op : De meeste Dichters (zegt
hij daar) in plaats van de Natuur te beschouwen, schrijven mal-
kanderen na enz."