Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
213
velingen, en om het gebrek aan gevoel dan echter te
verbergen, om echter warm te willen schijnen in weerwil
van de Natuur, neenien wij onze toevlugt tot klinkende
woorden, en eindigen met in het brommende te vallen.
Uit eene zodaanige bron ontstond de gebrekkige vertaling
van een der schoonste dichterlijke beschrijvingen bij job,
door den Schrijver met recht gegispt. Er staat in onze, en
bijna in alle overzettingen: „Zult gij het paerd sterkte
geven? kondt gij zijnen hals met donder bekleden? (*)."
Hoe is het mooglijk, zou men zeggen, dat een eenig Ver-
taler, die immer een paard gezien had, hier zijn' hals met
donder kon bekleeden? Hij vond immers overal in job
zulke uitmuntende, waare, zinnelijke beschrijvingen, en
hier, daar zo veel zinnelijks, zo veel dichterlijks van te
vertoonen was, hier zou de Dichter van dit schoone Boek
den hals van het Paard met donder bekleden! De oor-
zaak van diergelijke feilen is gebrek aan gevoel, gebrek
aan zinnelijke natuurbeschouwing! Het grondwoord be-
tekende maanen en donder; had men gevoel, en het
paard zinnelijk voor zijne verbeelding gehad (f). men
zou maanen vertaald hebben; nu klonk donder trotscher,
(*) Job XXXIX : 22.
(f) «De minste Wijsbegeerte of Natuurkennis (zegt de Schrijver)
zou de Overzetters tot de andere betekenis van 't woord geleid
hebben;" maar dit doet noch de Wijsbegeerte noch de Natuurken-
nis gewoonlijk alleen. Wij oordeelen wel zo van achteren, wan-
neer wij reecis het waare beeld voor onze oogen hebben, maar van
vooren moet ons, of de Natuur zelve, en het gevoel van haar Schoon,
bezielen, zo dat wij het beeld, dat wij daar willen stellen, leven-
dig voor onze verbeelding hebben, of wij philosopheeren zo lang,
tot dat ons de donder, die den hals van 't paard bekleedt, eene
trotsche en juiste uitdrukking toeschynt, om den moed van dit Dier
in den strijd te schildere«. Hoe weinig kunde en wijsbt geerte men