Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
210
Schrijver op de uitdrukking, ondermaansche dingen, om dat
in de daad de Maan niet meer boven, dan onder de aarde
is. Indien wij ons zulke critiques veroorlooven, is het met
de Poëzij gedaan. Wij zullen 'er dan drooge natuurkundige
waarheden voor in de plaats bezitten, maar echte Poëzij
zullen wjj ras missen. Wij zullen dan den heerljjken regel
uit de beschrijving van den avondstond bij van alphen:
Zelfs bergen vlugten heen;
ook moeten verwerpen, wijl de bergen in de daad niet
vlugten. Hoe! als ik de Maan op een'schoonen Zomerschen
avond aan de lucht zie staan, en ik beschrijven wil, wat
ik zie, vertoont zich dan alles om mij heen niet onder de
maan, en moet ik op dat tijdstip van vervoering mij her-
inneren, dat de maan even veel onder mij dan boven mij
is? Wat raakt mij dat in die oogenblikken? Was den
Schrijver hier zijne juiste aanmerking, maar eenige bladzijden
hooger op de beschrijving van den Avondstond door hoog-
vliet gemaakt, vergeten ? Weêrlegt ze niet volkomen zijne
tegenwoordige aanmerking ? Men oordeele; zie hier 's Mans
eigen woorden:
„Men verzwakt het Schoon door zodaanige denkbeelden
bij malkanderen te voegen, die in een onderwijzend ge-
schrift wel aan malkanderen grenzen, maar die in eene
Schilderij den aandacht verdeelen.
Hoogvliet intusschen geeft in zijnen Aartsvader Abraham
eene beschrijving van eenen schoonen avond, die verruk-
ken zoude, zoo hij daarin de gemelde fout niet gedeeltelijk
begaan had. Dus zingt hij:
't Was avont, en de zon, gehult met goud en stralen.
Scheen thans te Berseba ter westkimme in te dalen.
Haar' gloet te dooven in het middelantsche Zout,