Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
209
Elk zal deezen regel in een tafereel van de Lente zeer na-
tuurlijk geschilderd vinden, en maar weinigen hebben de
Anatomische Verhandeling van camper gelezen, en die ze
gelezen hebben, zullen blij zijn, dat ze, in de oogenblikken,
waarin ze eenen lieven Voorjaarsavond op het land genieten,
en daar, onder het gezang der Nachtegaaien, van verre bij
poozen het rikkikken der Kikvorschen hooren, dezelve
vergeten kunnen. Verbeeld u welk een' dienst de Heer
nuisiNGA bakker ons gedaan zou hebben, indien hij in
zijn treffend zinnelijk schilderij van de Lente ons^ voor den
opgenoemden schoonen regel,- verteld had, dat de Kikvor-
schen van twee blaasjes voorzien waren, en daarmede
eigenthjk hun geluid veroorzaakten. Hij had ons dan zeker
zijne geleerdheid vertoont, maar hij had opgehouden Dichter
te zijn, en wij zouden geëindigd hebben met hem, Prof.
camper, en zijne beide blaasjes te verwenschen.
Nog onjuister vinde ik de aanmerking van den eigen
verschilt wel eens van die, welke wij alleen aan een metaphy-
sisch compendium verpligt zjjn.
Maar om nog een oogenblik tot den raauwen gorgel van den Kik-
vovsch wedertekeeren. Indien men zich soortgelijke aanmerkin-
gen wilde veroorloven, zou men, al kwam bet geluid van den
Kikvorsch ook door zijn keel, noch een critique op het epithéte
raauio kunnen maaken. Men zou kunnen vraagen: ia zijn keel eigent-
lijk raauw9 en men zou waarschijnlijk neen moeten antwoorden.
Maar ziet men niet duidelijk, dat men dus al het zinnelijke uit
onze Poëzij wegredeneert, en 'er koude, afgetrokken waarheden
voor in de plaats geett. Niemand keurt de figuur af: het Land naderde
ons; schoon wij eigentlijk alleen het Land naderen. Waarom? Om dat
het zich voor de zinnen zoo vertoont, en hier heeft de Dichter
alleen mede te doen. Ik vrees dat men, zo voortgaande, zo lang
vernuftelen, zo lang verfijnen zal, tot dat wij niets meer gevoelen.
Gewis, dit kan nimmer het gevolg eener waare Wijsbegeerte zijn.
14