Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
208
dat zjj dit geluid eigentlijk door middel van twee blaasjes,
ter wederzijden van den kop geplaatst, maken, dit is
naar myne gedachten, zeer onbillyk. Zinnelijk rikkikken
de kikvorschen wel degelijk door den raauwen gorgel.
deeze aanmerking nog sterker. Alle Vreemdelingen, en zo men het
oordeel van deezen al niet wilde laaten gelden, meer dan een kundig
Landgenoot begreep, dat wy vooral meer met het hoofd dan met
het hart in onze Dichtstukken werkten, en hier door de Natuur ge-
woonlyk met een even koud penseel schilderden, als wy de harts-
tochten flaauw of geoutreerd, maar altijd valsch, vertoonden. Waarom
poogt men ons dus niet liever onze gebrekkige zinnelyke voor-
stelling en uitdrukking onder 't oog te brengen, waarom wijst men
ons niet meer lijnrecht tot de Natuur zelve, als men toch verbeteren
wil? Werkt men, door alles van verkreegen kundigheden, en zelfs,
20 als de Schrijver menigmaal doet, van eenen enkelen trek van
geleerdheid te doen afhangen, ons gebrek, in plaats van het te ver-
beteren, niet lijnrecht in de hand? Verdooft men op die wyze in
jonge Dichters dat vuur niet, zonder het welk 'er geen goed Dichtstuk
immer vervaardigd wordt? Ik ben hier meer dan eens getuige van
geweest. Eene gezonde critique^ door het warm gevoel voor het
Poëtische Schoon, niet minder dan door het koele oordeel uitge-
bragt, is voor den Dichter even bevorderende, als eene crit'ique^
daar enkel het koele oordeel de eer van toekomt, schadelijk is.
Leert dit het gezond verstand en de Natuur der zaake zelve niet ?
Hoe zal het koele oordeel alleen uitspraak kunnen doen over de aan-
doeningen, die de Natuur in een warm, regt dichterlek hart ver-
wekt, vooral zo die aandoeningen zelve aan den Beoordeelaar
onbekend zijn gebleven? Hoe zal de Wysgeer op zijne Studeerkamer
over de hartstochten, die den Dichter bezielen, die hij in zijne
verschillende Personaadjen laat werken, kunnen oordeelen, hy,
die deeze hartstochten zelve nimmer dan uit boeken kende, en alle
aandoeningen van vreugd, zo wel als van droefheid, zo dra ze
boven het peil van zyn eigen flegmatiek temperament gaan, voor
buitenspoorig verklaart! De Psychologie, die ons de Natuur leert,