Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
207
De aangehaalde Schrijver der andera zoo keurige Prijs-
verhandeling raakt, dunkt mij, somtijds het spoor mis,
enkel door nu en dan te vergeeten, dat de Dichter slechts
met de zinnen te doen heeft. Dat hjj in lücanus afkeurt,
dat deeze den Reiger en de Kraai tot Watervogels maakt,
in MANiLius, die eene beschrijving van Africa wilde opge-
ven, dat hij den Olijfant onder de vernielende dieren, als
leeuwen en slangen, plaatst, dit is zeer juist. Lücanus en
MANiLius zongen hier beiden wat ze niet gezien hadden;
ze moesten dus (en hier komen altijd verkreegen kundig-
heden den Dichter te pas) uit boeken, uit de Schriften der
Natuuronderzoekeren, aanvullen, wat ze zelven bjj onder-
vinding niet kenden. Maar had lücanus den Reiger en
de Kraai bij een' storm zelf gezien; had manilius met
den Olijfant zelven bekend geweest; ze zouden ze beiden
maar zinnelijk hebben behoeven te beschrjjven, om ze
waar te beschrijven. Juist het rampzalig toe vlugt nemen
tot de werken van anderen, in plaats van de Natuur zelve
te beschouwen, heeft lücanus van het spoor gebragt.
Het verkeerde gevolg, gelijk de Schrijver zelf aanmerkt,
dat hij uit eenige verzen van virgilius trok, deed hem
dwaalen. Wanneer wij zelf zien, worden wij, voor zoo
ver een Dichter de waarheid noodig heeft, nooit bedrogen.
Dan, dat de eigen Schrjjver het als eene feil in den
schoonen Lentezang van den Heer p. huizinga bakker
aanmerkt, dat hij de kikvorschen door den raauwen
gorgel (*) laat rikkikken, om dat de Natuurkundige weet.
(*) Men erkent thans algemeen, dat het voorrecht, 't welk de
Ouden in hunne Dichtstukken boven de Modernen vooruit hebben,
tlaarin voornaamlijk gelegen zij, dat hunne gedachten, voorstelling
en uitdrukking zinnelijker zijn. om dat zij meer met de Natuur om-
gingen, en haar dus beter kenden, dan wij door onze meer be-
schaafde levenswijze dit kunnen doen. Voor ons Nederlanders knelt