Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
206
on dit is 'er zo ver van daan, dat wij juist daar het
meeste vermaakt worden, om dat wij 'er dat zinnelijke zoo
sterk in aantreffen, 't geen wij zo zeer beminnen, dewijl
het ons de Natuur zo levendig voor oogen stelt.
het gevolg van zijn ? Dit, men zou voor de eene eeuw zeer waar,
voor (Ie andere zeer valsch schryven. De zinnelijke Natuur is altijd
dezelfde gebleven, maar onze kundigheden hebben telkens het ge-
woone lot van menschelyke kundigheden ondergaan. Zy zyn geloofd
en verworpen geworden. Men zou dan b. v, eenmaal zeer wys-
geerig waar geweest zijn naar bet stelsel van Ptolomeus, om zeer
valsch te worden naar dat van Copernicus. Men zou bewonderd
zyn geworden toen men de Cartesiaansche Wysbegeerte aannam, om
weggeworpen te worden, toen Newton, Leibnitz, Woltf verschee-
nen. Gelukkig, dat de Ouden zulke Wijsgeerige CriVic/niet gehad,
althans aan hunne uitspraaken niet geloofd hebben. Dan zouden wij
thans hunne dorre valsche begrippen bezitten, die de enkele Oud-
heidkenner, maar niemand uit vermaak, lezen zou. Nu hebben ze
zich aan de zinnelijke Natuur gehouden, en zij zullen door alle
eeuwen heen niets van hunne waarheid en schoonheid verliezen.
«Hoe ouder de menschen worden, en hoe meer hunne reden tot
volkomenheid gebragt wordt, hoe minder geloof zij aan alle Wys-
geerige redeneeringen zullen geven, en hoe meer vertrouwen zij in
het sentiment en de oeffening zullen stellen: want de ondervinding
heeft hun geleerd, dat men zeer zelden door het klaare beduiden
zyner zinnen misleid wordt, en dat de gewoonte om over die
aanduiding te redeneeren en te oordeelen, ons tot eene eenvoudige
en zekere oeffening brengt, in plaats dat men zich daaglijks ver-
gist, wanneer men als Philosoof te werk gaat, dat is te zeggen,
als men algemeene grondregelen ter nederstelt, en uit dezelve een
keten van besluiten afleidt. — Hoe beter de menschen zich zelven
en anderen kennen, hoe minder vertrouwen zij stellen in alle die
uitspraaken, die gedaan worden by wege van beschouwing, zelfs
in alzulke stoffen, die op het allergestrengste voor meetkundige
bewijzen vatbaar zyn.» Du Bos, Oord. aanmerk, over de Poëzij en
Schilderk. IL Deel, 23ste Hoofdst.