Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
205
"Wanneer ik voor 's hands een Leerdicht over de Natuur-
kunde vervaardig, bepaald om te onderrichten, dan spreekt
het van zelf dat ik wijsgeerig waar moet zijn. Maar
wanneer ik een schilderij, van welken aart dan ook, uit de
Natuur, die mij omringt, of een Ode op een' schoonen
avondstond, of op iets anders, vervaardigen wil, dan moet
ik de Natuur daarstellen, zo als ze zich voor mijne zinnen
vertoont, en al bezate ik dan alle natuurkundigheden,
ik zou ze, voor zo ver ze niet door de zinnelijke ver-
tooning ondersteund wierden, moeten verbergen, wilde ik
niet aan eiken bevoegden oordeelaar duidelijk toonen, dat
ik niet met mijn gevoel, maar met mijn vernuft gearbeid
had. 't Is aan deeze oorzaak alleen toeteschrijven, dat
ons de goede Dichtstukken van alle eeuwen altijd even
zeer bevallen, en dit tot aan het einde der waereld zullen
bljjven doen. Zo mjjne aanmerking valsch ware, zou
dit onmooglijk zijn. "W^ant de Natuurkunde heeft sederd
dien tijd aanmerkelijke vorderingen gemaakt. Wij zouden
dus, was het echte Schoone in een Dichtstuk afhanglijk
van Physische, Astronomische enz. ontdekkingen, thans
naauwlijks de versen der Ouden, en vooral die van ossian
en van andere onbeschaafde Volkeren kunnen lezen (■"},
(*) De zinnelijke waarheid blijft altijd waarheid, om dat de natuiir
voor het oog altijd dezelfde Natuur blijft. Ifen kan b. v. over het
inwendig maaksel, over den groei, over de hoedanigheden der Roos
verschillen; dit hangt van kundigheden, die bedrieglijk kunnen zijn,
en dikwerf werkelijk zijn, af. Maar men beschouwe de Eoos zinne-
lijk, en het verschil is gedaan. De Dichter ontleene eene gelijkenis
van haaren zachten geur — hij vergelijke de wangen van eenjeugdig
frisch Meisje "oij haar bevallig wegsmeltend rood — elk, die immer
een Eoos zag, zal den Dichter verstaan — dit zal elke eeuw, ieder
Volk doen. Maar men veroorloofde zich nu in zijne Dichtstukken,
voor zinnelijke, wijsgeerige waarheid te bedoelen — wat zou hier