Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
20 i
met dezelve betoogt, dat hij niet wijsgeerig over de Poëzij
oordeelde; w^ant voor de zinnen was de uitdrukking toch
altijd waar — de daauw vertoont zich aan 't oog als of
ze waarlijk op de aarde nederzinkt. Maar nu is de geheele
aanmerking dubbel valsch, en zij doet overredend zien,
dat eene natuurkennis, uit boeken verkreegen, altijd maar
eene halve natuurkennis is en blijft. Hadden deeze ge-
brekkige "Wijsgeeren de moeite genomen van met hunne
eigen oogen de Natuur te beschouwen, zij zouden ont-
dekt hebben, wat ik honderd maal op eenen zomerschen
avondstond, en vooral in de maand Meij, gezien heb, dat
de daauw naamlijk, schoon waarlijk uit de aarde eerst op-
trekkende, menigmaal naderhand van boven op de aarde
weer nederzijgt, en dat men dus hier ook (schoon dit niet
nodig is, gelijk wij gezien hebben) wijsgeerig waar zeggen
kan: een zachte daauw zeeg neer. Mij heugt intusschen dat
ik eenmaal dupe van deeze fraaie reflexie was.
Hier uit volgt dan deeze algemeene aanmerking: Een
Dichter moet voor de zinnen schilderen, zal hij waarlijk
Dichter, zal hij waarlijk een Volksdichter zijn. Wat zou
het Publiek aan Dichtstukken hebben, daar zich bijna
alles anders in bevond, dan het zich aan de oogen in de
natuur vertoonde? Een enkel Natuuronderzoeker zou dan
mooglijk uitroepen: Zie daar eene wijsgeerige waarheid;
maar het gros der Natie, voor het welk toch eigenthjk de
Dichter schrijft, zou 'er louter valschheid, althans iets, dat
het niet begreep, en dat het dus niet aandeed, in vinden (*)
(*) «Geen Dichter wil, of mag, met zijne beschrijvingen Bijdraa-
gen leveren tot Pennants Zoologie, of tot het Dierenrijk van Lin-
naeus. Het zijn geene afzonderlijke, volledig uitgewerkte trekken
of hoedanigheden, daar de Dichtkunst zich op toelegt, maar kracht,
werking dier hoedanigheden, in derzelver verband om een geheel te
maken.» Herder Geest der Hehreeuwsche Poëzij, 3de Stuk, 1ste
Verhandeling.