Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
202
Dit gezegde van sander brengt ons van zelven tot het
groote vereischte in een goed Dichtstuk, dat hetnaamlijk
zinlijk waar moet zijn. Deeze zinnelijke waarheid wordt
nooit, althans nimmer zeker, nimmer anders dan bij toe-
val, daargesteld, zo de Dichter met alle zijne kundigheden
de Natuur zelve niet zinnelijk beschouwd heeft. Maar vindt
men deeze zinnelijkheid ook in een Dichtstuk, dan behoeft
men niet te vreezen dat het voor het gros der !Natie ver-
looren (*), en slechts voor eenen enkelen Wijsgeerigen
Natuurkenner verstaanbaar zal zjjn. AVij zjjn hier aan de
bron, daar alle waare Poëzij uit voortvloeit, dus verdient
dit eene nadere ontwikkeling.
Wij kunnen tot eenen zekeren graad zeer onkundig in
de ontdekkingen der Wijsgeeren zjjn, en echter zeer
schoone versen maken. Wanneer wij levendig door een
voorwerp getroffen zijn, kunnen wij 'er het schoone van
bezingen, zonder andere kundigheden, dan die het voor-
(*) Door de Natuur enkel uit boeken, en hierdooi' dikwerf eene,
voor de Natie, daar men onder t'huis hoort, ten eenenmaal vreemde
Natuur, te kennen; door eene slaafsche navolging der Ouden,
zijn 'er bij alle Volkeren gedichten voor handen, die onverstaanbaar
zijn voor het Publiek. Ik zal u hier maar enkel aan de Od^n van
Ramler herinneren. Ze zijn voortreffelijk in haar soort, maar zou
Horatius, zo hij uit den dooden opstond, ze niet beter verstaan,
dan een Landgenoot van den Dichter, zo dra hij de Grieksche en
Latijnsche Letterkunde niet beoeffend heeft'? Hoe veel meer Romein-
sche Natuur, Romeinsche beelden, zelfs Romeinsche uitdrukkingen
zijn daar in, dan Vaderlandsche. Nog moet men de Heidensche
Mythologie grondig verstaan, om ze te kunnen begrijpen. Als een
Lierzang voor eene waardige Vrouw, die gezond verstand en smaak
bezit, verzegeld is, zo dat zij hem niet verstaan, en dus met gevoel
niet lezen kan — heeft de Lierzang, naar mijn oordeel, bij al zijn
schoonheid, een hoofdgebrek, dat door niets optewegen is.