Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
201
minsten de Natuur, die rond om hen is, recht kennen, volgen
niet de Natuur, zij vormen zich veel naar andere Schrij-
vers, daar door brengen zij zo veele vreemde, uitlandsche,
afgelegen beelden te voorschijn, bjj welke slechts het
kleinste deel der leezers iets volkomens kan denken. En
welligt is dit de reden, waarom de Poëzij in onze tijden
op verre na die gelukkige werking op het gantsche Volk,
op den gemeenen man, niet meer hebben kan, die ze
voorheen altoos, in den krijg, in vrede, op feestdagen, bij
openlijke en huislijke plegtigheden, had. "Wij brengen
bjj de lamp den rijkdom van alle wetenschappen te samen,
plunderen het magazijn der fabelleere, spreeken van dieren,
die de minsten gezien hebben, roepen alle Duivels, Gees-
ten, Feën, Sijlphen, Gnomen, Amoretten, Nijmphen en
Muzen bij een, en gaan dat geene voorbij, waarmede de
Natuur in ons Vaderland pronken kan. Uit hoe veele ge-
dichten, die onze eeuw toebehooren, zou men wel het
gewest, de plaats, kunnen raaden, in welke de Dichter zijne
eerste wandelingen door de Natuur gedaan heeft, waar hij
het eerst haare eenvoudige Majesteit, in haare naakte
schoonheid, en in haare vreeslijke toneelen, bespied heeft ?
Maar hoe prachtig en hoe natuurljjk, hoe gewoon in guure,
noordhjke gewesten, hoe gepast op het bergachtig Schot-
land, is OSSIAUS afbeelding van Fingal: „Hij beweegde
zich langzaam, en even als een donderwolk, wanneer
koekende vlakten des zomers onder haar zwijgen." En het
beeld van een' onverschrokkenen: „Als Oscar, alleen ge-
laaten, van vijanden omringd wierd, stond hij, en waste aan
zijne plaats, gelijk de vloed in een eng dal." Zoo spreekt
de Man, die de lier in het bosch stemde; die van het bedde
opsprong, eer de Morgensterre bleeker wierd; die de avond-
zonne dikwijls met zoete traanen aanschouwde, en van de
guure rotzen nog in den stroom nederzag, wanneer het maan-
licht schemerde, en de stilte des nachts op de golven rustte."