Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
198
vraag niet wat schoon is, maar wat voor schoon gehouden
wordt? spoor zorgvuldig uit, wie het zijn, wier oordeel den
algenieenen toon bestemt; wat hun gevalt, gevalle ooku!
Verkracht uw eigen kunstgeweten, spreek, schrijf, maal,
wat gij zelf veroordeelt, en breng tot verschooning van
het onverschoonhjke bij: men wil het zoo! Verraad de
kunst, heul met hare vijanden, of maak een schandelijk
verdrag met hen! Misschien wordt ge als de afgod uwer
eeuw geëerbiedigd, uw beeld, onder luid geschater, een
Pantheon ingeleid! Maar uit den tempel der onsterfelijk-
heid zjjt gij uitgesloten; waar zij alleen hunne plaats be-
reid vinden, die aan het onvergankelijk schoon eene on-
bevlekte hulde bragten, den wansmaak hunnes tijds raoedi»
het hoofd boden, en den lof van één geslacht verachteden,
om dien van alle volgende te verwerven!
De gedachte, wanneer eeuwen over mijn graf zullen
zijn heen gevloden; wanneer onedele berispers, onwaardige
mededingers reeds lang vergeten zullen zijn: dan zal mijn
naam, mijn werk nog leven; dan zal men den jeugdigen
Kunstenaar met de hand tot het zelve voeren; dan zal men
de nu onopgemerkte schoonheden, de fijnste en keurigste
toetsen en tinten, die wufte tijdgenooten voorbij zagen, hem
aanwijzen, en mijn voorbeeld zal een vuur der edele eer-
gierigheid in zjjne borst ontvonken! Dan zal mjjn Vaderland
roem op mij dragen: ik zal die dierbare moeder hare
weldaden vergelden, door mijnen roem op haar te doen
afstralen, en haar te verheffen onder de natiën der wereld!
Dan zal de menschelijkheid mij eeren, en in welke winden
ook mijne asch verstrooid moge zijn, zegen zal op mijne
nagedachtenis rusten! — Kent gij iets, M. H! dat den
geest verheft gelijk deze gedachte? En hij, die door zulk
een gloed geblaakt wordt, zou deze geestverheffing zich
niet mededeelen aan zijne kunstgewrochten ? Zou zij het
niet zijn, die zjjne verbeelding reinigde van wilde vlammen