Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
194
Neen! wij behooren niet enkel tot het tijdperk, waarin
wij leven. Ook het voorgeslacht is ons geslacht. Hoe!
uwe voorouders, raken zij u niet? Wier bloed in uwe
aderen vloeit, van wier vlijt gij misschien de vruchten
plukt? Bij het noemen van hunnen naam, bij het aanschou-
wen van hunne beeldtenissen, met dat achtbaar gelaat, in
dien deftigen dos, doordringt niet eene onbekende gewaar-
wording uwe borst? gevoelt gij niet: zij zijn de mjjnen!
ik ben de hunne! Doch wat spreek ik van voorouders,
wier naam wij dragen, wier goed wij erfden? Onze land-
genooten, die eeuwen geleden, ons Vaderland een' geëer-
biedigden rang onder de volken verwierven: de Nassaus,
de Oldenbarnevelds, de Grotiussen, de Vondels, de Rem-
brands, van Huisums, van de Veldens, zijn zij ons niet
dierbaar? Gevoelen wij niet onze betrekking op hen, en
trachten wij niet hunner waardig te zijn; als waren zjj
mede onder de levenden, bij en rondom ons; getuigen van
onze daden; als hoorden wij hunnen lof, vreesden wij
hunnen gramstorigen blik; als hoopten wij eenmaal met
hen in dezelfde rij te pronken, en door hen voor de hunnen
erkend te worden!
Maar, indien wij tot het voorouderlijk geslacht behooren,
wij behooren nog veel meer tot de nakomelingschap!
Vaders! Moeders! gaat het u niet aan, wat er na uwen
dood van uwe kinderen worden zal? Hunne welvaart of
tegenspoed, hunne eer of schande zijn u onverschillig?
Gij zorgt niet voor hun toekomstig bestaan, wanneer gij
niet meer zijn zult, en stervende bekommert gjj u niet
over hen? O! hoe menig een onthield zich jaren lang ge-
mak en genoegen, sloofde en zwoegde tot aan zjjn graf,
opdat zijn kroost na hem de rust en het genot, die hij
zich zelven weigerde, zou kunnen smaken! Wat plant gjj
die boomen, wier vrucht gjj nimmer eten zult, wier lom-
mer u nooit zal verkwikken? Wat beschikt gij over uwe