Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
189
ming worden genomen. Ieder levend kunstbeoordeelaar
heeft zijne eigene voorkeuze omtrent bjjzondere schoon-
heden; hij kweekt gevoelens van persoonlijke liefde of
afkeer, van achting of minachting, die hij, zelfs onwe-
tend en onwillig, van den meester op zijnen arbeid over-
brengt; hij heeft eene aangeborene neiging tot prijzen of
tot berispen; hij wordt door ijverzucht gekweld, door
luimen beheerscht, en is vaak des avonds dezelfde niet,
die hij des morgens was. Voegt hierbij, dat het getal der
beoordeelaars van een' levenden Schrijver of Kunstenaar
geene perken heeft, en elk zich in den regterstoel plaatst,
bevoegd of onbevoegd, wien het slechts lust zich te doen
hooren, zich te doen gelden, en den wijrook zijner bewonde-
ring, of de striemen zijner hekelroede, naar welgevallen uit
te deelen. Kan het dan anders, of het oordeel der tijdge-
nooten moet altijd wankelen, dikwijls verdacht zijn, zich
zelf doorkruisen, tegenspreken, ontzenuwen, en naauwe-
lijks den naam eener beoordeeling, hoeveel te min eener
heilige Godspraak, verdienen? Wilt gjj een voorbeeld?
doch misschien is het ongeoorloofd, vermetel althans, dit
voorbeeld aan te halen; aanschouwt dan sommige, ik zeg
sommige regtbanken der levende vernuften, die wij in ons
midden zien opgerigt, en elke maand, of op andere ge-
zette tijden, hare vonnissen zien openbaar maken. Regt-
banken, welker leden aan hoogere en onweerstaanbare inge-
ving hunne roeping tot dien post te danken hebben, daar
zij door niemand, dan zich zeiven, gekozen of bevoegd
zijn verklaard. Welke vrees zij aan velen, welke vreugde
zij somtjids, schoon altijd getemperd, aan anderen veroor-
zaken; welk een' eerbied zij aan allen inboezemen, daar zij
als Oostersche Monarchen, ja den onzigtbaren Goden gelijk,
hun aangezigt met een' digten sluijer bedekken; zoudt gij
echter, al ware het ook dat zij niet somtijds met elkander
in strijd waren, hare uitspraken wel voor Orakels durven