Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
„Is Professor te spreken, Sijtjen?" vroeg hij aan de
dienstmaagd, die de deur opende.
„Ja wel, Sinjeur!" was het antwoord: „als de vrienden
maar in de zijkamer willen gaan en een amerijtjen wachten.
Professor heeft juist iemand bij zich; — maar ik zal u
aandienen."
Onder het uiten dezer woorden had zij het drietal
binnengelaten en de zijkamer voor hen ontsloten.
„Dien eerst deze heeren aan, Sijtjen !" zeide de Amster-
dammer, „ik heb al den tijd "
„Ik bid u om verschooning," zeide de jongeling, met
een beleefde buiging: „het voegt ons niet, den voorrang
te nemen boven iemand van uwe jaren."
„Tut! tut!" hernam de andere, met een vrolijken lach:
„ik ben nog maar vijftig jaar, en gezonder^ ik durf zeggen
jeugdiger, dau ik mijn leven geweest ben. — Maar wij
hebben hier de jaren niet te tellen: ik behoor hier t'huis
in de stad en gijlieden zijt vreemdelingen: reden genoeg,
waarom gij voorop moet gaan:—dus, als ik zeide, Sjjtjen!
dien de heeren eerst aan."
De jongeling bewees alsnu, die ware wellevendheid te
bezitten, welke ons verbiedt, door overbeleefdheid lastig
te worden: hij boog zich nogmaals en zeide toen aan de
dienstmaagd, die hem vragende aanzag: „zeg maar, dat
wij een brief wenschen te overhandigen van den Heer
de Groot."
„'t Ware moeijelijk," merkte de Amsterdammer aan, „een
betere aanbeveling bij den Heer Yossius mede te brengen:
noch bij mij, durf ik zeggen. Is die Heer, die zich thands
bij Professor bevindt, er al lang, Sijtjen?"
„Zoo flus gekomen;" antwoordde zij, terwijl zij de deur
achter zich toetrok.
„In allen gevalle," vervolgde de spreker, zich tot de
vreemdelingen wendende, „zult gij niet lang behoeven te