Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
186
Ik was dus geenszins in verlegenheid, om eene stof te
vinden, ter beknopte behandeling in deze plegtige zamen-
komst. Ik zal spreken over het oordeel der nakomeling-
schap, als een beslissenden toets der waardij van alle
werken van kunst en smaak; ik zal den prijs van dit
oordeel voor den levenden kunstenaar, en den invloed van
hetzelve op de verëdeling zijner kunstgewrochten pogen
in het licht te stellen. Hoort mij met toegevendheid,
opdat ik het mij nimmer als eene vermetelheid moge te
laste leggen, het vereerend aanzoek gehoor te hebben ge-
geven, om in eene vergadering als deze het woord te
voeren.
Het oordeel der nakomelingschap is beslissend in het
gebied der schoonheid; in alles wat tot werken van ver-
beelding en gevoel, van vernuft, kunst en smaak betrek-
king heeft: dit eerste vooptel vordert terstond alle onze
overweging.
Maar wat is nakomelingschap? Het denkbeeld, aan dit
woord verknocht, is van grooten en ruimen omvang. Er is
eene vroege, eene latere en late nakomelingschap. Zoo
ras wij dit licht niet meer aanschouwen, zijn alle over-
blijvenden onze nakomelingen: wij leven dus nog met een
gedeelte van ons nageslacht. Wanneer wij echter van de
nakomelingschap als beoordeelares der verdiensten spreken,
moeten wij den ruimen zin dier benaming beperken, en
ons nageslacht althans niet eerder doen beginnen, dan na
het uitsterven van alle onze tijdgenooten. Ja ook deze
nakomelingschap bezit nog de bevoegdheid niet, om de
voortbrengselen der genie met den ijk der onvervalschte
echtheid te merken. Zij miskent wel geene verdiensten,
maar zij kan nog Antonides boven Vondel, en Lucanus