Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
180
bovenal bloot, die in de algemeene toejuiching deelen, en
■wier namen met buitensporigen ophef genoemd worden.
Zoo wij ooit geneigd zijn de stem des volks voor eene
stemme Gods te houden, het is wanneer zij zich in ons
voordeel hooren doet; en daar zulk een vereerend von-
nis reeds gestreken is, acht men het noodeloos zich
zeiven te beoordeelen. Daarbij vergeet men dan, hoe
dikwijls het middelmatige, en 't geen minder dan mid-
delmatig was, in denzelfden ophef deelde met het schoone
van den echten stempel; hoe de staat en het licht der
tijden en des lands, waarin men leeft, hier vooral aan-
merking verdient, en hoe veel verschil het maakt, onder
vernuften van den eersten, of van den tweeden, derden
en vierden rang uit te blinken; hoe menigmaal eindelijk
Schrijvers en Dichters daarna in het oordeel van dat-
zelfde publiek gevallen zijn, door 't welk zij eerst hemel-
hoog verheven waren. Wie gij dan zijn moogt, géniën,
die het Vaderland en de kunst tot eer wilt verstrekken!
zoo gij niet het oordeel over uwe verdiensten, over de
hoogte, waarop gij staat, aan u zeiven voorbehoudt, nim-
mer zult gij worden, wat gij kunt en moet wezen. Ver-
trouwt niet het oordeel van een gedienstigen vrienden-
kring, die vreest door berisping u verdriet te veroorzaken,
of een lastige tegenspraak op te wekken; niet dat van
eenen onbevoegden Recensent, die somtijds in zijne on-
noozelheid vleit of hekelt; niet dat van eene wufte
menigte, die de stem der Wijzen overschreeuwt. Kent
gij zulke Wijzen; herkent gjj hen daaraan, dat ze u zoo
wel de gebreken van uw werk aantoonen, als zij het
goede prijzen, aan hen moogt ge u toevertrouwen, maar
meer nog aan uw eigen oordeel, mits het onbevangen
zij en gestreng. Miskent uwe krachten niet, bluscht
den moed niet in u uit om te ondernemen, wat gij
volvoeren kunt; maar verzwijgt, verbergt ook voor u