Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
176
Indien het voor den beoefenaar der Letterkunde van
belang is, zijnen natuurlijken aanleg te kennen, om niet
buiten het vak zijner bestemming jammerlijk om te dolen;
van niet minder aangelegenheid is voor hem de kennis van
zich zeiven, met betrekking tot zijne aesthetische krachten,
tot de hoogte, waarop hjj staat, en den rang, waartoe hij
zich verheffen kan, in dat gedeelte van het wijd uitge-
strekt letterkundig veld, tot welks bearbeiding hij zich
gevormd en als inwendig geroepen voelt.
Ik heb reeds gezegd, dat het de toets is der ware
zelf-kennis, wanneer zij ons ontevreden maakt met ons
zeiven, en dit is in het letterkundige niet minder waar,
dan in het zedelijke. Het is bekend, welke reden Socrates
er van gaf, dat hij door het Delfische Orakel voor wijzer
dan alle anderen verklaard was: het was, zeide hij, omdat
alle anderen voorgaven te weten, 'tgeen zij niet wisten,
en hij alleen dit wist, dat hij niets wist. Een ander Wijsgeer
ging nog een grooten stap verder, en beweerde zelfs niet
te weten, dat hij niets wist! Een bewijs, dat ik dit in het
voorbijgaan opmerke, hoe men ook in oude, gelijk in latere
tijden, wanneer men iets buitengewoons en ongehoords
wilde zeggen, weinig er zich aan bekreunde, of men wartaal
en onzin voortbragt. Doch keeren wij tot Socrates terug:
wij twijfelen.er niet aan, of hij sprak uit innerlijke over-
tuiging des gemoeds; en wie zijne woorden voor eene
gezonde uitlegging onvatbaar keurde, zou slechts toonen ze
niet begrepen te hebben. Het was niet, dat hij zich voor
geheel onkundig en van alles onwetend hield; zelfs niet
dat hij zich onbewust was, of veinsde te zijn, van de
waarde zijner verstandelijke inzigten, of den trap der be-
schaving van zijne edele ziels-vermogens; maar wanneer hij
al dien schat zijner opgezamelde kennis vergeleek met het-
geen men weten kon, met al wat er te leeren viel, en met
dat ideaal van een' waren Wijzen, hetwelk hem voor den