Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
173
voorbeelden er van levert ons de klassische oudheid niet.
Virgilius moge het herders- en leer- en heldendicht ge-
zamenlijk beoefend hebben, hij was grootendeels slechts
navolger der Grieken, en nooit heeft hij zich aan het
lierdicht gewaagd. En indien het vak der redekunst hierin
minder verscheidenheid aanbiedt; zoo hare soorten naauwer
aan elkander verwant zijn; men kan echter den deftigen,
den keurigen en netten stijl des Geschiedschrijvers bezitten,
door levendigheid en sierlijkheid der voordragt zich doen
opmerken, zonder tot het hartstogtelijke, het onweerstaan-
bare en onwillig wegslepende der redenaars-welsprekendheid
zich te verheffen. En welk verschil heerscht er bovendien
tusschen hen, die in hetzelfde 'vak hetzelfde soort beoefen-
den; daar bij dezen het bondige, het naauwkeurige en
krachtige, bij dien het heldere en zoetvloeijende, bij genen
het roerende en dieptreffende den hoofdtoon aangeeft; en
die allen in de door hen gekozen manier uitmunteden,
omdat zij den aanleg hunner natuur geraadpleegd en ge-
volgd hadden. Of zal men Robertson verachten, omdat hij
den stijl van Gibbon niet bezit? Zal men Cicero niet
voor Redenaar houden, omdat hij in krachten eenvoudig-
heid Demosthenes niet evenaart ?
Uit dit alles bljjkt, van hoeveel belang voor den beoe-
naar der Letterkunde die kennis van zich zelven zij, die
hem aanwijze, in welk vak of deel derzeive hij met de
meeste vrucht kan arbeiden, en door welke wgze van
behandeling hij zijne talenten het voordeeligst op woeker
kan zetten. Meent gij veelligt, dat er weinig gevaar is
om hierin mis te tasten? wij voor ons houden het daar-
voor, dat van vele mislukte, of kwalijk gelukte kunst-
werken, de reden minder te zoeken is in gebrek aan
bekwaamheid van de zijde des kunstenaars, dan daarin, dat
hij zich niet bevond op zijn eigen grondgebied; maar door