Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
172
uit alle deelen der kunst bevallig wisten te stofiféren,
maar nimmer hoofdwerk maakten van 't geen slechts bij-
werk wezen moest. Niets verhindert dat men te gelijk
Dichter en Redenaar zij; maar dat men het zou kunnen
zijn, zonder dat het een het ander benadeelde, dit houden
wij ten minste voor bedenkelijk, indien niet voor onwaar-
schijnlijk. Men merkt het terstond aan den proza-stijl des
echten Dichters, dat hij zich niet in zijn element bevindt;
en men weet naauwelijks, waaraan het zij toe te schrijven,
dat de zoetvloeijende Zanger zoo hard en stootend wordt,
wanneer hij zich in ondicht krachtig en verheven poogt
uit te drukken. En gaat het den Redenaar wel beter,
wanneer hij Dichter wezen wil? Staat hier niet, allen
ten afschrik, het voorbeeld van Cicero, wien gevoel, en
smaak, en leven, en kracht schijnen te ontzinken, wan-
neer hij zijn bezield en welluidend proza met taaije verzen
afwisselt? Gelukkig voor den Vorst der Romeinsche
Redenaren; gelukkig voor hem en voor ons, dat hij op
het veld der poëzij geene lauweren heeft kunnen pluk-
ken! er is geen twijfel aan, of het kuische en ingetogene,
het klare, het naauwkeurige en overredende zijner rede-
kunstige voorstelling, zou op meer dan ééne klip gestooten
en gevoelige schade geleden hebben.
Gelijk met de beide hoofdvakken der letterkundige be-
oefening, zoo is het ook met derzelver ondergeschikte
soorten gelegen. De hooge versiering en stoute verbeelding
van den treurspel- en helden-dichter, het gloeijend en
stroomend gevoel van den lierzanger, de zachte idyllen-
toon, het levendig geschakeerde leerdicht; zij mogen aan
elkander grenzen, en met zachte overgangen hier en daar
zamen vloeijen; zij vorderen nogtans in hunne hoogste vol-
komenheid, en daar waar zij op zich zeiven staan, afzon-
derlijke gaven; en in allen gelijkeljjk uit te munten,
daarna moge men in later tijden gestreefd hebben, maar