Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
171
voorwerpen zijn zouden, op wie deze les van toepassing
ware; alsof er niemand wezen zou, die voortbrengsels
zonder kracht, zonder smaak of geur, zonder kleur zelfs,
als lettervruchten ter markt bragt; zij zijn er, zij maken
geen onaanzienlijk gedeelte van het schrijvend publiek uit;
en zoo hunne werken geen lezers, althans geen koopers
vonden; arme boekhandel, welk een kwijning zoudt gij
ondergaan! Maar de les zou voor dezen wel vruchteloos
zijn; zoo zij zich zeiven uit hunne schriften niet kennen,
dan zal een blik in het brein, waaruit zij gevloeid zijn,
hen niet genezen; ook zouden zij zich niet willen laten
genezen, want hoe worstelt niet elk gevoelend wezen, van
het insect af tot den Autheur toe, tegen het gevaar van
vernietiging! — Doch bovendien, wij stellen ons thans
beoefenaars der Letterkunde voor, die het niet in naam,
maar inderdaad zijn, die er door de natuur toe gevormd,
en door oefening zijn voorbereid; en hen betreft de les:
kent u zeiven ten aanzien van het vak, dat gij ter bear-
beiding verkiest!
Er zijn slechts weinige menschen, aan wie alles gelukt,
wat zij bij de hand nemen; en deze weinige zelfs, zoo zij
niet onbestendig in hunne keuze geweest waren, en nu
het eene, dan het andere veld hadden pogen af te oogsten;
zoo zij, na zich zeiven te hebben geraadpleegd, den hoofd-
-aanleg hunner natuur erkend, dien boven alles ingevolgd,
en wat zij buitendien vermogten, daaraan ondergeschikt
hadden, wie weet welk een hoogere volkomenheid hunne
voortbrengselen bereikt zouden hebben ? Waarom zou een
Schilder geen geschied- en landschap- en zee- en bloemschil-
der te geljjk kunnen zijn ? Maar die het beproefde liep gevaar,
en meer dan gevaar, om in geen dier vakken te worden,
wat hij in één derzeive wezen kon; en nooit tot den rang
dier meesters zich te verheffen, die wel hunne tafereelen