Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
168
het even min mogelijk is zich zeiven als anderen naar
waarheid te beoordeelen. Van waar is het, dat in hem.
dien wij haten, of die ons in den weg staat, of over wien
wjj ons meenen te kunnen beklagen; dat in hem alles ons
mishaagt, het goede over het hoofd gezien, en 't geen ter
naauwer nood berispelijk is, onverdragelijk, afschuwelijk
wordt in onze oogen? Van waar dat de vurige minnaar
zijne geliefde zoo bekoorlijk vindt, zoo bevallig, vol deugden,
vol talenten, schoon haar elk ander, naar gestalte en geest,
naauwelijks onder de middelmatige telt? Neen, M. H.!
het is geen gebrek aan verstand, of kennis, of opregtheid,
die beiden dwalen doet, het is vooringenomenheid, verblin-
ding des vooroordeels, het is partijdigheid. En wanneer
staan wij meer voor haar bloot, dan wanneer wij over ons
zeiven het vonnis strijken moeten ? Wij hebben een iegelijk
onze gebreken en onze deugden, onze goede en onze kwade
hoedanigheden: zoo wij beiden evenzeer gadesloegen, en
daarbij het goede niet hooger schafteden, dan het gelden
moest, het kwade in deszelfs verkeerdheid of strafbaar-
heid, het ons ontbrekende in deszelfs wezenlijke onmis-
baarheid beschouwden; dan zou er tot onze zelfkennis
niets meer vereischt worden, dan het besluit op te maken,
en wij zouden weten, welk een' rang wij in de zedelijke
wereld bekleeden. Maar helaas! die slotsom zou weinig
troostrijks ons aanbieden, en wij liepen gevaar, om lager
in onze schatting te dalen, dan ons, ik zal niet zeggen
aangenaam zijn zou, maar dan wij voor ons zeiven zouden
willen belijden. Om dit voor te komen treedt onze eigen-
liefde tusschen beiden. Twee glazen staan haar ten dienste,
waarvan het eene vergroot en aanhaalt, het andere verkleint
en verwijdert. Het eerste houdt zij ons voor de oogen,
zoo dikwijls wij ze vestigen op 't geen wij voortreffelijks,
of beminnelijks, of zeldzaams, en 't geen niet aan allen in
gelijke mate gegeven is, bezitten; het tweede, daarentegen