Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
167
om ons zeiven te kunnen kennen; maar vyat, zoo wij bet
niet willen ? Zoo wij of in deze kennis geen belang stelden
en er nimmer ons op toeleiden; of zelfs er behagen in
schepten, om ons zelven te miskennen, om ons te mis-
leiden, en als met open oogen te bedriegen? Tot de
juistheid van alle oordeelvellingen worden twee hoedanig-
heden vereischt, die bij de beoordeeling van ons zelven
al te dikwijls ontbreken: oplettendheid en onpartijdigheid.
Hoezeer wij ons eigen bijzijn niet ontvlugten kunnen,
veel nogtans kan er aan haperen, dat wij gemeenzaam
met ons zelven verkeeren zouden. Helaas! wij kunnen
den eigenlijken omgang met ons zelven schuwen, en ner-
gens meer vreemd zijn dan in ons eigen hart! Ja! wij
kunnen alles weten, wat daarin omgaat, maar daarbij
verzuimen er acht op te slaan; de oogmerken onzer
daden kennen, maar zonder aan de waarde of onwaarde
dier bedoelingen ons gelegen te laten liggen, In 't kort,
ons hart kan voor ons zijn als een huis of woning, waartoe
de toegang ons ter aller ure openstaat, waar wij alles naar
welgevallen kunnen gadeslaan, opnemen en onderzoeken;
maar het ontbreekt ons aan den lust om er binnen te treden.
Waar dit gebrek aan oplettendheid heerscht, daar kan
de zelfkennis niet meer dan oppervlakkig zijn; gelijk wij
gezegd worden iemand van aanzien te kennen, dien wij
aan zijne gelaats-trekken van anderen onderscheiden, maar
zonder van zijn lot, zijne omstandigheden of verdiensten
meer te weten, dan het algemeen gerucht van hem getuigt.
En het is deze onoplettendheid niet alleen, die den mensch
onkundig kan doen zijn, hoe het eigenlijk in zijn geesten
gemoed geschapen staat; ook dan, wanneer hij er somtijds
zich op toelegt, om zich zelven van binnen te beschouwen,
ontbreekt het hem, hoe moet ik zeggen? menigmaal? of
doorgaans ? of altijd? aan die onpartijdigheid, zonder welke