Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
165
gezet, niet schadelijk of doodelijk voor hem zij; aan allen
mag men toeroepen, ken u zelvenl Het is tevens een les
der bedachtzaamheid, der nederigheid en der matigheid;
en de betrachting, door haar aanbevolen, is in haren gan-
schen omtrek evenzeer de moeijelijkste, als zij de heilzaamste
en noodzakelijkste is, die wij met ons begrip omvatten
kunnen.
Geroepen, om deze Vergadering met eenige niet ongepaste
toespraak te openen, scheen het mij toe een, onderwerp
te zijn, uwe aandacht niet geheel onwaardig, de zelfkennis
in haren aard, hare hoedanigheden en hare gevolgen te
beschouwen. Doch daar deze stof te wijd van uitgestrekt-
heid is, om in haar geheel behandeld te worden; en het
doel dezer Maatschappij, ja ook van deze zamenkomst,
zich tot AVetenschap en Letteren bepaalt, wil ik de gulden
les: ken u zeiven, indien niet uitsluitend, ten minste inzon-
derheid voor u ontvouwen in hare betrekking tot de be-
oefening der Letterkunde. Ik durf mjj hierbij vleijen met
dezelfde toegevendheid, als waarmede ik meermalen door
u ben aangehoord, en beloof van mijne zijde met beschei-
denheid daaraan te beantwoorden, en door geene lang-
wijligheid der voordragt uwe oplettendheid te vermoeijen,
of uit te putten.
Het wordt met regt voor één der zeldzaamste gaven
gehouden, en waartoe zonderling doorzigt, gepaard met
vlijtige oefening vereischt wordt; de gaaf van menschen
te kennen, in hunne karakters, vermogens, heerschende
neigingen en gezindheden. Maar alle moeijelijkheden, die
hierbij te overwinnen zijn, wanneer het de kennis van
anderen geldt, schijnen geen plaats te hebben, wanneer
het er op aankomt, om ons zeiven te kennen; en deze
wetenschap niet de moeijelijkste, gelijk ik straks zeide,
maar een der gemakkelijkste te wezen. Wordt er, om in
de ziel van anderen te kunnen lezen, gemeenzame om-