Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
162
-examens, als zij er dan toch wezen moeten, haar een'
schotel laten gereedmaken, of iets van dien aard doen.
Dikwijls heeft het mij gehinderd, wanneer ik hier of daar
hij meergegoeden was, dat de vrouw of dochter niets ver-
frisschends of versterkends voor den arme zieke wisten,
en ik nog een keukenboek moest opslaan, om wat te vin-
den." — „Ja maar, lieve Vroeg!" hernam Dominé, „daar-
mede kan men geene vertooning, daarvan kan men geen gewag
maken; en dit is thans in alle dingen een eerste vereischte.
Als de eene jongen den anderen uit eene sloot gehaald
heeft, is er zoo veel leven van, als toen De Ruyter de En-
gelsche vloot verbrandde; zijn naam komt op de lange
lijst der edelmoedige bedrijven, en wordt in Redevoeringen
en Aanspraken herhaald en wederom herhaald, zoodat men
er kwalijk van wordt. — Het is een groot gebrek in onze
opvoeding, dat alles hoe langer hoe meer in het openbaar
geschiedt. De kinderen verbeelden zich nu weldra niet
slechts, dat zij iets, maar zelfs dat zij zeer veel zijn, ge
voelen eene zekere meerderheid boven hunne ouders, en
begeeren dus ook natuurlijk stem in (den) staat te hebben;
zoodat, zoo wij tijd van leven hebben, Meester! gij en ik
en alle vaders weldra voor onze zoons en dochters reke-
ning van ontvang en uitgaaf zullen moeten doen, en hunne
hooge goedkeuring op ons huishoudelijk bestuur inwach-
ten." — Hoewel ik niet kon nagaan, dat dit nog veel
nood heeft, vooral als ik aan mijn Toontje denk, riep ik
echter onwillekeurig uit: „Maar, Dominé! als dat zóó gaat,
wat is dat dan een tijd dien wii beleven!" — Ik kreeg
hierop ten antwoord: „Een tijd, waarvoor wij den Hemel-
schen Vader mogen danken, dat Hij ons het voorregt
schonk van er in geboren te zijn. Gelijk een goed ruiter
gaarne een vurig paard berijdt, moet het ons ouders aan-
genaam wezen, eene jeugd te zien opwassen, waarin zich
de verhevene vermogens van den mensch zoo heerlijk