Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
160
nelijke dochters verder uitmaken, wie de knapste van de
kweekelingen van Mevrouw of Mamsel St. Leger was.
Naar huis gaande, woelde mij al, wat ik gezien en ge-
hoord had, zóó door het hoofd, dat ik mijne gedachten
volstrekt niet bij mijne bezochte patiënte kon bepalen, het-
welk anders mijne standvastige gewoonte is, Ik kon het
niet op, dat een Christenmeisje een' prijs kreeg, omdat zij
de na men van de Heidensche Goden en Godinnen van buiten
kent. Nog minder, dat die zelfde Juffers, die zoo aardig^
zoo vriendelijk waren, waar men ze zag, in huis zich zoo
bazinnig toonden, hare goede moeder bespotteden en op den
kop zaten. Ook vond ik het raar, dat men in haar, die
toch voor den stillen huisseljjken kring bestemd zijn, zulk
eene zucht voedt om zich te vertoonen, en om de eerste
te zijn. Vol van die gedachten, kwam ik, bij de pastorij,
Dominé tegen, en kon niet nalaten, hem deelgenoot te
maken van mijne overwegingen. Ten slotte vroeg ik hem:
of hij het goedkeurde, dat meisjes zulke dingen leerden,
en hoe het toch kwam, dat er zulk een verschil plaats had
tusschen de mei.sjes van den Schout binnenshuis en bui-
tenshuis? — „Het eene is een gevolg van het andere,"
zeide hij; „en in dit alles zien wij de kleur van den tijd,
dien wij beleven. Men maakt van alles eene kunst, tot het
neussnuiten toe; dus ook van zedigheid en van alle mo-
gelijke deugden. Het is dan ook natuurlijk, dat, even als
onze meesters krullen om onze schriften trokken, wanneer
wij goed geschreven hadden, de meesters van onze kinde-
ren krullen trekken om hunne deugden. Het is nu in het
oog van velen geene mindere kunst om de waarheid te
spreken en eerlijk te zijn, dan om goed te schrijven en
te teekenen; en het eerste, begrijpt men, moet even
zeer en met even veel moeite aangeleerd worden, als
het laatste. Men dresseert de kinderen tot de deugd,
als een' hond tot apporteren, en zij worden inde zedelijk-