Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
157
Hoe vernederend voor een' mensch, geslagen te worden!
Dat is goed voor beesten." Dit hoorende, draaide ik mij
onwillekeurig om, om te zien, wie dit zeide; niet kunnende
denken, dat zoo veel wijsheid uit een mondje voortkwam,
hetwelk de tanden nog niet verwisseld had. Maar ik ont-
dekte niemand, en het wijze ventje bragt mij huppelend
binnen, waar ik zijne moeder, omringd van hare dochters,
vier aankomende meisjes, vond zitten. — Wanneer ik de
vrouw van onzen Schout zie, is het mij even als in mijne
leerjaren, wanneer ik mij in de beentjes van de achterhand
vergiste. Ik meende, dat ik ze zeer wel uit elkander kende,
maar was toch altijd met de zaak verlegen, als mijn meester
mij er een voor den neus leide. Zoo ging het mij ook bij
de Schoutsvrouw. Elk hield haar voor eene der knapste
vrouwen van het dorp, en roemde haar huishoudelijk be-
stuur; elk wees op hare kinderen; geen gezonder, netter,
vlijtiger of zediger kinderen in den omtrek. En naauwe-
lijks was men een uur in het vertrek, of men kreeg
lust te vragen: „Is dat eene moeder met hare dochters?
of eene oude tante, die, om Godswil in huis genomen, van
tijd tot tijd een woordje meê mag praten?" Toen ik bin-
nenkwam, wees zij mij op eene fraaije teekening, welke op
tafel lag, met de woorden: „Kijk eens. Meester! dat heeft
onze Keetje gedaan." Dezelve waren er niet uit, of gij hadt
eens moeten zien het verlegen gezigt van de eene, de
booze kleur van de andere, terwijl eene derde den neus
optrok, en allen Mama bijna in haar gezigt begonnen uit
te lagchen. Ik wist niet, wat ik er van maken moest; doch,
meenende, om hare verlegenheid, dat die naast mij zat de
teekenaarster was, zeide ik tot haar: „ Wel, Juffer Keetje!
gjj hebt het ver gebragt." Met een opgewipt neusje wees
zij mjj met de naald op eene, die tegenover haar zat, half
lagchend zeggende: „Gij vergist u, Meester! daar zit juffer
Keetje." Deze scheen zulks niet te bevallen, en nam, met