Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
156
ééns kunnen worden, wat zij zullen spelen, zoodat zij niets
uitvoeren, zoo er niet een onder den hoop is, die regt weet,
wat hij wil, en daardoor de wankelende willen van al
zijne makkers naar zijnen zin draait. Zoudt gij nu wel
denken, dat veel menschen regt weten, wat zij willen ?" —
„Zeer veel niet, vader!" — „Maar die het dan wel weet,
is die niet vrijer dan de overigen?" — „Ja, vader!" —
„En dus zijn, ook in dit opzigt, alle menschen niet gelijk." —
„Ook niet in de zedelijke vrijheid, waarvan mijn meester
sprak?" — „Zeker niet, indien dit waarlijk vrijheid is.
Is het wat anders, waarvan alle menschen even veel hebben,
dan moet het byster gering zijn, dat men er bij groot
noch klein duidelijke blijken van ontdekken kan."
II.
Nog vol van mijnen droom stapte ik het huis uit. On-
derweg kon ik mij niet weerhouden, telkens aan mijne
das en hemdboord te trekken, en den vinger daar tusschen
te steken, of zij mij niet knelden; ik verbeeldde mij, iets
stropachtigs om den hals te hebben, en schudde mij telkens
het hoofd, als een poedelhond, die pas uit het water komt,
ten einde zeker te zijn, dat alle wervelen en spieren nog
op hunne plaats zaten en zich vrij konden roeren. Zoo in
beweging met lijf en leden, kwam ik de voorplaats bij den
Schout opzetten, toen ik in mijne vaart gestuit werd door
zijn tweede zoontje, een jongetje van zes of zeven jaren,
die met eene rol papier in de hand, naar mij toevloog.
„Meester!" zeide hij, „ik ga school, en heb een loffelijk
getuigschrift gekregen wegens zedigheid: zie eens, hoe
mooi!" Ik zag het fraai geschrift eens in, en, het teruggeven-
de: „Wel zoo," zeide ik, „dat is best, kleine maat! Gaat gjj
school? en zijt gij altijd zoo zoet; of hebt gij ook reeds
met de plak gehad?" — „Wel foei. Meester! met de plak!