Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
155
lang als de reus Cajanus? En zoo is het met alles gelegen,
wat aan den mensch is. Wanneer ik dat alles afzonder-
lijk neem, dan zie ik, dat deze in het een, gene in het
ander veel vooruit heeft, zoodat ik niet weet, waarin ik de
menschen met elkander gelijk zou stellen, zelfs niet in
dingen van meer belang. Ik denk niet, dat uw meester
van de avondschool gaarne over één' kam geschoren was
met dien gjj te G. gehad hebt; en hij zelf zal voor menig
geleerder, dan hij is, zij'n' hoed moeten afnemen. Ook be-
hoef ik niet in het hart van mijn evenmensch te zien,
om te beseffen, dat onze buurman, de smid, braver is dan
zjjn broeder, die, door zijn liederlijk gedrag, vrouw en
kinderen als bedelaars heeft achtergelaten. Wat ik dan
van den mensch zie, ik kan nergens gelijkheid vinden, al
zoo min als tusschen een' olifant en eene muis, een' arend
en eene vlieg." — „Maar, vader!" — „Maar, Maarten!
zullen de menschen gelijk, dat is zullen zij even veel
waard zjjn, dan moeten zij toch in iets gelijk zijn; en
nu hebben wij gezien, dat, hoe veel wij van den mensch
opnoemen, zij in alles verschillen; of weet gij nog iets
anders?" — „De meester sprak van iets, hetwelk gij nog
niet hebt opgenoemd, vader!" — „Wat was dat?" —
„De meester zeide, dat alle menschen vrij, zedeljjk vrij zijn,
en dat dit de waarde van den mensch uitmaakt." — „Wat
wil dat zeggen?" — „Ik weet het niet, vader!" — „Ik
ook niet. Maarten! Wat zedelijk vrij is, daarvan heb ik
nooit gehoord; maar wel weet ik, dat een vogel vrij is,
als hij kan vliegen, waar hij wil." — „Zoo vrij geloof ik
niet, vader, dat er één mensch is." — „Laat ons echter
eens denken, dat het zoo ware; gelooft gjj, dat alle men-
schen dan even vrij zouden zijn?" — »Wel ja, vader!
waarom niet?" — „Omdat het met de menschen gaat als
met de kinderen, die, wanneer zij vrij zijn en spelen kunnen
naar hunnen lust, noch onder elkander, noch met zichzelve